Skip to main content

...............................................................................................................

.......................................................
NIEUWS WO2
ACHTERGRONDEN
Achtergronden 2014
Achtergronden 2013
Achtergronden 2012
Achtergronden 2011
Aanslagen op Hitler
10 vragen over de oorlog
Boekenlijst WO2
Boere: Aken-blog
Churchill
Curaçaose stakers 1942
D-day 2014
Dossier Vorden 2013
Dossier Wulff en Gauck
Gauck niet-Faber wel
Euthanasie
Februaristaking
Gauck PERS
Geschiedvervalsing
Grijs verleden
Herzberg-lezing
Hilversum oorlog
Koninkrijk - De Jong
Market Garden 2014
Mein Kampf h1
Mein Kampf h2
Mgr Lampert: onthoofd
Rode Kruis
Roofkunst
Roofkunst links
Troostmeisjes
Verliezen WO2 per land
WO1 - De machine
Colofon
70 jaar bevrijding
Onderduyik
Churchill pers
BEZETTING NL
CURIOSA VAN DE OORLOG
DOSSIER KLAAS FABER
DOSSIER MARKTPLAATS
FOTO'S
JODENVERVOLGING
LANDOORLOG
LUCHTOORLOG
OORLOGSDAGBOEK
OVERZICHT WO2
VANDAAG GEBEURD
ZEEOORLOG
Memobord gastenboek
Indie-45-50
marktplaats-fotos
Leestafel
marai
INDEPERS

 

 

D O S S I E R 

 

M E I N   K A M P F

 

ADOLF HITLER

 

 

 


LEESWAARSCHUWING:


DIT IS EEN VOORBEELD VAN MEIN KAMP. HET IS EEN ONOFFICËLE, NIET-WETENSCHAPPELIJKE VERSIE. HET IS NIET DUIDELIJK OF DEZE VERTALING CORRECT IS. EVENMIN IS DUIDELIJK OF DEZE VERSIE COMPLEET EN NIET-INGEKORT IS - AL LIJKT HIJ DAT WEL.

.

HITLER VERDRAAIT EN IDEALISEERT N DIT WERK VEEL EN GEEFT VERDER REGELMATIG DE HISTORISCHE WERKELIJKHEID OPZETTELIJK NIET CORRECT WEER.

 

IN DEZE TEKST IS ´JOODS´ VERVANGEN DOOR ´BEIERS´

BIJGEWERKT  22-01-2012

BIJGEWERKT 02-11-2014

 

TWEEDE HOOFDSTUK


LEER- EN LIJDENSJAREN TE WENEN

 

Toen mijn moeder stierf, had het noodlot in éen opzicht al over mijn lot beslist. In de laatste maanden van haar leven was ik naar Wenen gereisd om toelatingsexamen te doen voor de academie. 


Met een dik pak tekeningen onder de arm, had ik mij destijds op weg begeven, overtuigd, het examen spelenderwijze te kunnen afleggen. Op de HBS was ik in tekenen al verreweg de beste van de klas geweest; sedertdien had deze vaardigheid zich nog sterker ontwikkeld, zodat ik trots en gelukkig was in het gevoel, dat ik over mijn werk tevreden kon zijn, en er dus maar het beste van hoopte.


Eén enkel ding baarde mij dikwijls zorg: mijn schilderstalent scheen te worden overtroffen door dat in het tekenen, vooral op bijna het gehele gebied der architectuur. Mijn belangstelling voor de bouwkunst zelf hield met deze ontwikkeling gelijke tred, en werd steeds groter. 


Dit proces werd nog meer versneld, toen ik voor het eerst, als jongen van nog geen 16 jaar, ee veertiendaags bezoek aan Wenen had gebracht. Ik reisde er heen om de schilderijengalerij van het Hofmuseum te bestuderen, maar had bijna uitsluitend oog voor het museumgebouw zelf. Ik liep gedurende die dagen van ‘s morgens vroeg tot ‘s avonds laat van de ene bezienswaardigheid naar de andere, maar het waren altijd weer enkel bouwwerken, die mij boeiden. 


Urenlang kon ik voor de Opera staan, urenlang het parlementsgebouw bewonderen; de gehele Ringstrasse werkte op mij als een betovering uit duizend-en-één nacht. Nu was ik dus voor de tweede maal in deze mooie stad, en wachtte met brandend ongeduld, maar ook met trots zelfvertrouwen, op de uitslag van mijn toelatingsexamen. Ik was van het succes zo overtuigd, dat het mij trof als een bliksemslag uit heldere hemel, toen men mij meedeelde, dat ik afgewezen was. 


En toch was het zo. Toen ik mij aan de rector liet voorstellen en hem verzocht, mij te willen zeggen, om welke redenen ik niet tot de algemene schildersschool der Academie was toegelaten, verzekerde deze mij, dat uit de door mij meegebrachte tekeningen zonneklaar mijn ongeschiktheid voor schilder bleek, maar dat mijn talent toch kennelijk op het gebied der architectuur lag.


Voor mij kon nimmer de schildersschool, maar alleen de architectuurschool der Academie in aanmerking komen. Dat ik tot dusverre nog geen bouwkundige school had bezocht, en evenmin enig onderricht in architectuur ontvangen had, kon men zich gewoon niet voorstellen. Terneergeslagen verliet ik Hansens prachtgebouw aan de Schillerplatz, en was het nu, voor de eerste maal in mijn jeugdig leven, oneens met mijzelf.


Want wat ik over mijn aanleg had gehoord, wierp plotseling een chel licht op een innerlijke tegenstrijdigheid, die mij al lang ad gehinderd, zonder dat ik er tot nog toe in was geslaagd, haar vast te stellen. Na enkele dagen stond het ook bij mijzelf vast, dat ik bouwmeester zou moeten worden.


Weliswaar was de weg buitengewoon moeilijk, want wat ik tot dusver op de HBS had verzuimd, moest zich nu wel bitter wreken. Om tot de architectuurschool van de Academie te worden toegelaten, was het noodzakelijk, dat men de bouwtechnische school had doorlopen, en om hiertoe te worden toegelaten, moest men in het bezit zijn van het einddiploma van een middelbare school. Dit alles ontbrak ten enenmale. 


Naar menselijke berekening was dus de vervulling van mijn droom om kunstenaar te worden, niet meer mogelijk. Toen ik, na de dood van mijn moeder, voor de derde maal naar Wenen trok, en ditmaal voor vele jaren, had de intussen verstreken tijd mij mijn rust en vastberadenheid teruggegeven. De vroegere koppigheid was weergekeerd, en ik had mij mijn doel eens en vooral vast voor ogen gesteld. Ik wilde bouwmeester worden, en tegenslagen zijn er niet, opdat wij ervoor capituleren, maar opdat wij hen overwinnen. 


En ik wilde al deze hindernissenoverwinnen, met steeds het voorbeeld van mijn vader voor ogen, die eens als de zoon van een arme dorpsschoenlapper was begonnen, en zich tot rijksambtenaar had weten op te werken.


Dan waren de wapenen, waarover ik kon beschikken, toch al heel wat beter, en waren mijn omstandigheden toch heel wat gunstiger, en wat ik destijds aanzag voor de hardheid van het lot, prijs ik heden als de wijsheid van de Voorzienigheid.


Terwijl de godin van de nood mijn leven begon te beheersen, en het dikwijls leek, alsof ik de strijd zou moeten opgeven, groeide e wil tot verzet, en tenslotte bleef de wil overwinnaar. Ik dank het aan die tijd, dat ik hard ben geworden en hard kan zijn. En meer nog dan voor deze versterking van mijn wil, ben ik hem dankbaar, dat hij mij losscheurde uit de leegheid van een gemakkelijk leven, dat hij het moederskindje uit het zachte dons trok en hem de zorg als levenskameraad gaf, dat hij de tegenspartelende jongen in de wereld van de ellende en de armoede zette en hem zo met diegenen in aanraking bracht, voor wie hij later zou moeten strijden. 


In deze tijd zouden ook mijn ogen geopend worden voor twee gevaren, waarvan ik voordien nog maar nauwelijks de naam kende, en waarvan ik zeker nog niet begreep, welk een ontzettende bedreiging zij vormden voor het bestaan van het Duitse volk: Marxisme en Beiers nationalisme. Wenen, de stad, die voor zo velen het symbool van argeloze vrolijkheid is, en die men zich zo graag voorstelt als één groot feestterrein, vol vrolijke mensen, wekt bij mij slechts herinneringen op aan de treurigste tijd van mijn leven. 


Ook heden nog roept deze stad slechts droeve gedachten bij mij op. In de naam van deze sprookjesstad liggen voor mij vijf jaar van honger en ellende besloten. Vijf jaar, waarin ik eerst als los arbeider, daarna als kleine schilder mijn brood moest verdienen. Mijn eisen op dit punt waren waarlijk bescheiden genoeg, en toch was er nooit voldoende om ook maar de eerste honger te stillen.   


Hij was destijds mijn trouwe metgezel, de enige, die mij nooit verliet, die alles eerlijk met mij deelde. Ieder boek, dat ik kocht, wekte zijn medeleven; een bezoek aan de opera was voor hem reden, om mij weer dagenlang gezelschap te houden; het was een voortdurende strijd met mijn meedogenloze vriend.


En toch heb ik in deze tijd meer geleerd, dan ooit te voren. Op mijn bouwkunde en het zeldzame, uit mijn mond bespaarde bezoek aan de opera na, waren mijn boeken de enige vreugde in mijn leven. Ik las destijds buitengewoon veel, en degelijk. Alle vrije tijd, dat mijn werk mij liet, besteedde ik geheel en al aan mijn studie. In luttele jaren legde ik zodoende de grondvesten van een kennis, waarvan ik ook heden nog de vruchten pluk.


Maar dit was nog niet alles. In deze tijd vormde zich bij mij een wereldbeeld, en een wereldbeschouwing, die tot een muurvast fundament werd en een richtsnoer voor al mijn daden. Ik heb aan datgene, wat ik mij zodoende schiep, slechts weinig behoeven toe te voegen; te veranderen behoefde ik niets. Integendeel. 


Het is nu mijn vaste overtuiging, dat in 't algemeen de kiemen van de eigenschap van het creatieve denken, wanneer die althans aanwezig is, al tijdens de jeugd op de een of andere wijze tot uiting komt: Ik maak hier onderscheid tussen de wijsheid van de ouderdom, die alleen de grotere diepte en grotere voorzichtigheid als vrucht van een lang leven laat gelden, en de genialiteit van de jeugd, die in onuitputtelijke vruchtbaarheid gedachten en ideeën voortbrengt, al kan ze deze dan, door hun groot aantal, voorlopig nog in het geheel niet verwerken.


De jeugd levert de bouwstoffen en toekomstplannen, waaraan de wijzere ouderdom de stenen ontleent, die hij bijwerkt en waarmee hij de bouw voltooit, voor zover de zogenaamde wijsheid van de ouderdom althans de genialiteit der jeugd niet heeft verstikt.


Het leven, dat ik tot die tijd in het ouderlijk huis geleid had, onderscheidde zich in weinig of niets van dat van alle anderen. Zorgeloos kon ik de nieuwe dag tegemoet zien, en een sociaal vraagstuk bestond er voor mij niet. Het milieu waarin ik opgroeide, was dat van de kleine burgerij, dus een wereld, die met de echte handarbeiders slechts zeer weinig betrekkingen onderhoudt. 


Want hoe vreemd het op het eerste gezicht ook moge schijnen, toch is juist de kloof tussen deze, gewoonlijk niet bepaald schitterend gesitueerde, volksgroepen en de eigenlijke handarbeider dikwijls dieper dan men denkt. De oorzaak van de bijna aan vijandschap grenzende koelheid, die kenmerkend is voor de onderlinge verhouding van deze twee standen, is de vrees van een maatschappelijke groep, die zich eerst sedert kort boven het niveau der handarbeiders heeft uitgewerkt, om weer terug te zinken naar de oude, weinig geachte stand, of om nog tot die stand te worden gerekend.


Bovendien leefde nog bij velen de onaangename herinnering aan de culturele armoede van deze lagere klasse, de veelvuldige ruwheid in de onderlinge omgang, waardoor ieder contact van de eigen positie in het maatschappelijk leven, hoe onaanzienlijk deze ook moge zijn, met deze overwonnen trap van leven en beschaving, tot een ondraaglijke last wordt.


Zo komt het, dat een hoger ontwikkelde dikwijls minder bevooroordeeld tot zijn laagst staande medemens afdaalt, dan iemand, die zelf in die stand heeft geleefd, dit ooit vermag. Want ieder, die zich door eigen energie heeft opgewerkt, behoudt nu eenmaal zijn leven lang, als erfenis van zijn kinderjaren, de herinnering aan zijn vroeger, lager levenspeil, en daarmee de angst voor dat, nog te nabije milieu. 


Maar ook doodt deze dikwijls zeer harde strijd het medelijden. De eigen moeilijke worsteling om het bestaan maakt ongevoelig voor de ellende van de anderen. Mij was het noodlot in dat opzicht genadig. Terwijl het mij dwong, weer in deze wereld van armoede en onzekerheid terug te keren, die mijn vader in de loop van zijn moeilijke leven al had verlaten, bevrijdde het mij van de vooroordelen, die een bekrompen kleinburgerlijke opvoeding mij had meegegeven. Nu pas leerde ik de mensen kennen, leerde ik onderscheid te maken tussen de lege schijn of het ruwe uiterlijk en het innerlijk wezen. Wenen was al in het begin van deze eeuw een stad met buitengewoon ongunstige sociale toestanden.


De grootste rijkdom en de meest schrijnende armoede wisselden elkaar af, in plotse opeenvolging. In het centrum en in de daaromheen gelegen wijken voelde men wel heel sterk de hartslag van dit rijk van 52 miljoen zielen, met al de bedenkelijke glans en glorie, die de nationaliteitenstaat eigen is.


Het hof, met zijn verblindende pracht, trok als een magneet alles wat rijk of ontwikkeld was uit de andere delen van het rijk tot zich; een proces, dat nog versneld werd door het sterk centraliserende streven van het Habsburgse Huis zelf. Hierin was de enige mogelijkheid gelegen om dit mengelmoes van volkeren in een vaste vorm bijeen te houden. Het gevolg daarvan was echter een buitengewone opeenhoping van hoge en hoogste autoriteiten in de hoofd- en residentiestad. Wenen was niet alleen politiek en geestelijk, maar ook economisch het hart der oude Donau-monarchie.


Tegenover het leger van hoge officieren, rijksambtenaren, kunstenaars en geleerden stond een nog veel groter leger van arbeiders, tegenover de rijkdom van aristocratie en handel de bitterste armoede. Voor de paleizen der Ringstrasze slenterden duizenden werklozen, en onder deze „via triumphalis" van het oude Oostenrijk huisden in het schemerdonker en het slijk der kanalen de daklozen. Er zou moeilijk een andere Duitse stad te vinden zijn geweest, waar het sociale vraagstuk zo goed te bestuderen was als juist in Wenen.


Dit bestuderen kan niet van bovenaf geschieden. Wie zich niet zelf in de omklemming van deze wurgende reuzenslang bevindt, leert zijn giftanden nimmer kennen. Anders is het resultaat slechts oppervlakkig gezwets of onwaarachtig sentimenteel gedoe, wat beide even verkeerd is. Het ene is verkeerd, omdat het nooit tot de kern van het probleem kan doordringen, het andere, omdat het deze kern niet zoekt.


Ik weet niet, wat noodlottiger is, de onverschilligheid tegenover de sociale nood, zoals de meerderheid van de lieden, die door het geluk begunstigd of door eigen verdienste opgeklommen zijn, dagelijks vertoont, of die even hooghartige als opdringerige, tactloze, maar altijd minzame neerbuigendheid van een bepaald soort van modewijven in rokken en broeken, „die toch zoveel voor het volk voelen".


Deze mensen zondigen in ieder geval meer dan zij met hun instinctloos verstand ook maar bij benadering kunnen begrijpen. Daarom dan ook, dat, tot hun eigen verwondering, het resultaat van de door hen betoonde „sociale gevoelens" altijd nul is, en dat deze zelfs dikwijls verontwaardigd worden afgewezen; hetgeen dan natuurlijk onder de „weldoeners" weer doorgaat voor een bewijs van de ondankbaarheid van het volk.


Dat dit met ernstig sociaal werk niet het geringste heeft uit te staan, en dat trouwens dit laatste ook in het geheel geen aanspraak mag maken op dankbaarheid, omdat het immers geen genade wil verlenen, maar enkel en alleen onrecht moet herstellen, – dat is iets, wat hersens van dit soort maar liever niet tot zich laten doordringen. 


Het bleef mij bespaard, het sociale vraagstuk op die wijze te leren kennen. Toen het ook mijn leven aantastte en teisterde, leek het er niet veel op, dat het me uitnodigde hiervan te „leren", maar zag het er eerder naar uit, dat het zijn krachten op mij wilde beproeven. Het was niet zijn schuld, dat het proefkonijn niettemin heelhuids en gezond de operatie doorstond.


Wanneer ik nu wil proberen, al mijn gewaarwordingen uit die tijd weer te geven, dan kan dit nooit ook maar bij benadering volledig zijn; slechts de meest essentiële indrukken, die voor mij dikwijls de meest schokkende waren, zullen hier worden beschreven, en daarnaast de enkele lessen, die ik er in deze tijd al uit putte.


Nu viel het mij destijds meestal niet erg zwaar, om werk te vinden, aangezien ik immers geen geschoold vakman was, maar slechts als zogenaamd los arbeider, en menigmaal als dagloner moest trachten, mijn dagelijks brood te verdienen. Ik stelde mij daarbij op het standpunt van al degenen, die het stof van Europa van hun voeten schudden, met het onwrikbare voornemen, zich in de Nieuwe Wereld ook een nieuw bestaan te verwerven, een nieuw tehuis te veroveren.


Wanneer ze zich eenmaal ontworsteld hebben aan de greep van alle tot dan heersende, verlammende opvattingen over beroep en stand, en niet meer gebonden zijn door omgeving en traditie, grijpen zij naar iedere mogelijkheid om hun brood te verdienen, die zich voordoet, pakken elke arbeid aan, en worden er zich zo steeds meer van bewust, dat eerlijke arbeid nimmer onteert, van welke aard hij ook moge zijn. zo was ook ik vastbesloten, om in die nieuwe wereld met beide benen op de grond te staan, en om mij er een weg te banen.


Dat er dan altijd wel het een of andere werk te doen valt, leerde ik aldra, maar even vlug ook, hoe gemakkelijk men dit weer verliest. Het feit, dat ik zodoende nooit zeker was van mijn dagelijks brood, scheen mij na korte tijd een van de ergste schaduwzijden van dit nieuwe leven. 


Wel zal de geschoolde arbeider niet zo vaak op straat worden gezet als de losse werkman, maar ook hij blijft dit noodlot niet helemaal gespaard. Bij hem is het niet zozeer het gebrek aan werk, als wel de uitsluiting en de staking, die aan zijn brood raken.


Hier wreekt zich de onzekerheid van bestaan al het ergst aan het gehele economische leven zelf.
De boerenjongen, die naar de grote stad trekt, aangetrokken door de vermeende of ook wel werkelijk lichtere arbeid, de kortere arbeidstijd, het meest echter nog door het verblindend licht, dat de grote stad nu eenmaal weet uit te stralen, is nog gewend aan enige zekerheid van verdienste. Hij pleegt de oude werkkring ook slechts dan te verlaten, indien hij tenminste een nieuwe in het verschiet heeft.


Tenslotte is het gebrek aan landarbeiders groot, de waarschijnlijkheid van een langdurige werkloosheid dus op zichzelf gering. Nu is het foutief, te geloven, dat de jonge man, die zich naar de grote stad begeeft, al daardoor blijk geeft, uit slechter hout te zijn gesneden dan hij, die zich ook verder eerlijk zijn brood verdient op het land. Nee, integendeel. De ervaring leert, dat eerder gezegd kan worden, dat degenen, die wegtrekken, de gezondste en meest wilskrachtige naturen zijn dan omgekeerd. 


Tot deze „emigranten" echter behoort niet alleen de man, die naar Amerika gaat, maar ook al de jonge knecht, die besluit, zijn geboortedorp te verlaten, om naar de onbekende grote stad te trekken. Ook hij is bereid om een onzekere toekomst op zich te nemen. Meestal komt hij met enig geld in de stad aan, en behoeft dus, als zijn eerste pogingen mislukken, en hij in deze eerste tijd geen werk weet te vinden, niet dadelijk al de strijd op te geven.


Erger wordt het echter, wanneer hij een betrekking heeft gevonden, en deze na korte tijd weer verliest. Vooral in de winter is het dikwijls moeilijk, zo niet onmogelijk, een nieuwe te vinden. De eerste weken gaat het dan nog. Hij wordt gesteund uit de werklozenkas van zijn vakvereniging, en slaat er zich doorheen, zo goed en zo kwaad als het gaat.


Maar, als de laatste eigen cent is opgebruikt, en de werklozenkas tengevolge van de lange duur van zijn werkloosheid de ondersteuning beëindig, dan komt de grote nood. Dan slentert hij hongerig rond, verpandt en verkoopt dikwijls nog zijn laatste bezittingen, komt zodoende ook steeds slechter in zijn kleren te zitten, en daalt daarmee ook uiterlijk af tot een milieu dat, alsof al zijn materiële zorgen nog niet genoeg waren, ook nog zijn ziel vergiftigt.


Wordt hij dan ook nog dakloos, en gebeurt dit, wat dikwijls het geval is, in de winter, dan wordt zijn ellende zeer groot. Eindelijk vindt hij weer het een of andere werk. Maar het spel herhaalt zich. 


De tweede maal treft het hem even zwaar, een derde maal misschien nog zwaarder, zodat hij langzamerhand immuun begint te worden voor die eeuwige onzekerheid. En tenslotte gaat hij die herhaling gewoon vinden. Aldus verslapt de gehele levenshouding van deze eerst zo vlijtige man, en langzamerhand wordt hij rijp, om als instrument te dienen van diegenen, die hem slechts misbruiken ter wille van eigen platte materiële voordeel.


Hij was al zo dikwijls werkloos buiten eigen schuld, dat het er op één keer meer of minder niet aankomt, zelfs indien het daarbij niet meer gaat om de verovering van economische rechten, maar om het vernietigen van staatkundige, maatschappelijke of algemeen culturele waarden. 


Hij zal, zoal niet belust zijn op staking, er dan toch vrij onverschillig tegenover staan. Ik kon met eigen ogen in duizend gevallen deze gang van zaken waarnemen, en hoe langer ik dit spel aanzag, des te meer groeide mijn afkeer tegen die miljoenenstad, die de mensen eerst hebzuchtig naar zich toe trok, om ze dan zo meedogenloos óp te gebruiken. Wanneer zij kwamen, behoorden zij nog altijd tot hun volk; wanneer zij bleven, gingen zij voor hun volk verloren.


Ook mij had het grotestadsleven her-en-der waards gesmeten, en ik kon dus zelf aan lichaam en ziel ervaren, welke invloed daarvan uitging. Ik zag daarbij nog iets bijzonders: n.l. dat de snelle overgang van arbeid tot werkloosheid en omgekeerd, en ook de daardoor veroorzaakte voortdurende onzekerheid van inkomen, wat dus ook weer maakte, dat men nooit zeker was, de volgende week weer te kunnen rondkomen, op de duur bij velen het gevoel voor spaarzaamheid vernietigde, en tegelijk  daarmee het begrip voor een verstandige indeling van het leven. Het lichaam schijnt er langzamerhand aan te wennen, om in goede tijden in overvloed te leven, en in slechte te hongeren. 


Ja, ieder voornemen, om later, in gunstiger tijden, voor betere indeling te zorgen, wordt omvergeworpen door de honger, die zijn slaven in een voortdurende fata morgana een goed leventje voortovert, en die de kunst verstaat, om deze droom tot zulk een sterk verlangen op te voeren, dat het ziekelijk wordt, en iedere zelfbeheersing vernietigt, zodra de verdienste maar even boven het levensminimum uitkomt. 


Daardoor komt het, dat hij, die nog maar pas weer werk gekregen heeft, zo onverstandig is, om dadelijk iedere indeling te vergeten, en in plaats daarvan er maar op los te leven. Dit leidt zelfs tot ontreddering van de geringe wekelijkse huishouduitgaven, daar zelfs hier een verstandige indeling uitblijft; eerst is er nog maar voor vijf dagen genoeg, in plaats van voor zeven, later nog slechts voor drie, eindelijk nog maar nauwelijks voor éen dag, en tenslotte wordt alles al in de eerste nacht na de uitbetaling verbrast. Thuis zitten dan dikwijls vrouw en kinderen te wachten.


Menigmaal worden ook zij door deze manier van leven aangestoken, vooral indien de man overigens goed voor hen is, ja, ze op zijn manier zelfs liefheeft. Dan wordt het weekloon thuis in twee, drie dagen gemeenschappelijk verbrast; er wordt gegeten en gedronken zolang er geld is, en de laatste dagen wordt er evenzeer honger geleden. Dan gaat de vrouw beschaamd bij de buren en in de omgeving rond, leent hier en daar wat, maakt kleine schulden bij de kruidenier, en tracht aldus de moeilijke laatste dagen der week door te komen.


's Middags zit het hele gezin aan een karig maal, dikwijls ook is er niets op tafel, – en wacht op de aanstaande betaaldag, spreekt erover, maakt plannen, en droomt, al hongerend, alweer van het naderend geluk. En zo worden de kleine kinderen al in hun vroege prille jeugd gewend aan en opgevoed in deze ellendige levensopvatting. Maar de eigenlijke slechte gevolgen komen in die gevallen, waar de man, van het begin af aan, zijn eigen weg gaat, en de vrouw, terwille van de kinderen, daartegen opkomt. Dan komt er twist en ruzie, en naarmate de man dan van de vrouw vervreemdt, komt hij nader tot de alcohol. 


Elke zaterdag is hij nu dronken, en, uit drang tot zelfbehoud voor zich en haar kinderen, vecht de vrouw met hem om het beetje geld, dat zij hem, en dan meestal nog op de weg van de fabriek naar de kroeg, moet zien te ontfutselen.


Komt hij eindelijk ‘s zondags of zelfs in de nacht van maandag thuis, dronken en woest, maar altijd volkomen platzak, dan spelen zich soms tonelen af, die geen pen kan beschrijven. Ik heb honderden van zulke gevallen gezien, aanvankelijk met weerzin of ook wel met verontwaardiging, om later de gehele tragiek van dit lijden te begrijpen en de diepere oorzaken ervan te verstaan. Al deze mensen zijn de rampzalige slachtoffers van de slechte toestanden.
Bijna nog droeviger waren destijds de woontoestanden.


De woonellende van de losse arbeiders te Wenen was ontzettend. Ik ril er nu nog van, als ik aan die jammerlijke woonholen denk, aan die volkslogementen en massakwartieren, aan die sombere tonelen, waar het alom vol afval en stotend vuil lag, en waar men vaak de ergste dingen zag gebeuren. Hoe moest, hoe moet dat eenmaal worden, wanneer de holen der ellende eenmaal de stroom der losgelaten slaven over die andere zo onnadenkende helft van de mensheid uitbraken. Want deze andere helft der wereld is gedachteloos.


Gedachteloos laat ze die dingen hun ellendige gang maar gaan, zonder in haar instinctloosheid ook maar te vermoeden, dat he noodlot vroeger of later tot vergelding moet overgaan, indien de mensen niet bijtijds nog het noodlot weten te bezweren.
Hoe dankbaar ben ik nu, dat de voorzienigheid mij deze school liet doorlopen. Daar kon ik niet saboteren, wat mij niet beviel. Daar werd ik snel en degelijk opgevoed. Indien ik niet wilde wanhopen aan de mensen, die destijds mijn omgeving uitmaakten, dan moest ik leren, onderscheid te maken tussen de uiterlijke schijn en de oorzaken van deze ontwikkeling. Alleen dan was dit alles te verdragen, zonder dat het tot wanhoop bracht. 


Dan zag men niet meer de mensen en al die nood en al die ellende, in al die afval en uiterlijke verwaarlozing, dan zag men enkel nog, dat treurige wetten tot treurige gevolgen hadden geleid, waarbij de zwaarte van mijn eigen, toch ook niet lichtere levensstrijd, mij belette, om me er nu maar met miezerige sentimentaliteit bij neer te leggen, dat dit nu de verdierlijkte eindproducten waren van die ontwikkeling, en dat daar verder niets aan te doen zou zijn. Nee, zo moet dit niet worden opgevat.


Destijds al voorzag ik, dat hier slechts een tweeledige weg naar het doel, d.w.z. naar een verbetering van deze toestanden kon leiden, en wel:Een groot sociaal verantwoordelijkheidsbesef, teneinde betere ontwikkelingsvoorwaarden te scheppen, met daarnaast onverbiddelijke gestrengheid tegen hardleerse onsociale elementen.


Zoals ook het streven van de natuur er niet zozeer op gericht is, om het bestaande te behouden, als wel om te zorgen voor het nageslacht als de drager van de soort, zo moet er ook in het menselijk leven niet zozeer naar worden gestreefd, om de bestaande onvolmaaktheden kunstmatig te verbeteren, wat — gezien de aanleg der mensen — voor 99 % onmogelijk is, maar wel, om de toekomstige ontwikkeling van de beginne af in betere banen te leiden.


Al tijdens mijn Weense strijd om het bestaan was het mij duidelijk geworden, dat een werkelijk sociale politiek nooit haar taak mag zien in een even bespottelijk als doelloos verstrekken-van-steun-op-zo-groot-mogelijke basis; maar integendeel alles moet doen, om dergelijke fundamentele fouten in de organisatie van ons economisch en cultureel leven te voorkomen, omdat deze de ontaarding van velen ten gevolge moeten, of althans kunnen hebben. Het bezwaar, verbonden aan een optreden met gewelddadige middelen tegen de staatsvijandige misdadigerswereld is immers juist gelegen in het feit, dat wij nooit volkomen zekerheid bezitten omtrent de diepere oorzaken van zulke tijdsverschijnselen.


Deze onzekerheid vindt zijn grond in een maar al te juist gevoel, dat men zelf schuld is aan deze rampzalige gevallen van zedelijke verwording; maar dit schuldbesef, hoe juist ook,verhindert nu elk ingrijpend besluit, en maakt, dat zodoende zelfs de meest noodzakelijke maatregelen tot zelfbehoud nog maar ten halve, of met veel te weinig energie worden doorgevoerd. Pas een bewind, dat niet meer, door eigen schuldbewustzijn gekweld, genade voor recht zal moeten doen gelden, zal de innerlijke rust, en daarmee ook de kracht bezitten, om onverbiddelijk en zonder aanzien van de persoon de wilde loten te snoeien en het onkruid uit te wieden. 


Daar de Oostenrijkse staat nagenoeg in het geheel geen sociale rechtspraak of sociale wetgeving kende, was ook zijn strijd tegen deze uitwassen, zelfs tegen de ernstigste, opvallend krachteloos.



Ik weet niet, wat mij nu in deze tijd het meest ontstelde: de economische ellende van mijn toenmalige lotgenoten, hun zedelijke en morele ruwheid, of het lage peil van hun ontwikkeling.
Hoe dikwijls stuiven niet onze brave burgers vol morele verontwaardiging op, wanneer ze uit de mond van de een of anderen berooide landloper te horen krijgen, dat het hem onverschillig laat of hij Duitser is of niet, en dat hij zich overal  op zijn gemak voelt, waar hij maar voldoende heeft om te kunnen leven. Dit gebrek aan „nationale trots" wordt dan diep beklaagd, men weet voor een dergelijke mentaliteit geen woorden te vinden, die scherp genoeg zijn.


Hoevelen van hen hebben zich echter wel eens de vraag gesteld, wat dan eigenlijk de oorzaak is van het feit, dat toevallig juist zijzelf er een moreel hoger staande mening op na houden? Hoe velen van hen begrijpen eigenlijk, dat het juist de som is van die over talrijke herinneringen, die tot ons spreken over de grootheid van ons vaderland en over al datgene, wat onze natie op alle gebieden van kunst en cultuur wist te presteren, welke die gerechtvaardigde trots, dat men tot een zo begenadigd volk mag behoren, bij ons wakker roept.   

Hoe velen vermoeden eigenlijk, hoezeer deze nationale trots afhankelijk is van onze bekendheid met de grootheid van het vaderland op al deze gebieden? Denken onze burgerlijke kringen er wel eens over na, hoe bitter weinig er gedaan wordt, om „de mindere man" deze noodzakelijke grondslag voor nationale trots bij te brengen?  


Kom nu niet met het praatje, dat „dit in andere landen immers ook niet anders is en dat de arbeider daar echter niettemin eensterk nationaal bewustzijn bezit." Zelfs indien dit zo zou zijn, zou het niet als verontschuldiging kunnen dienen voor eigen tekortkomingen. Maar het is niet zo. Want wat wij altijd een chauvinistische opvoeding noemen, b.v. die van het Franse volk, is in wezen niets anders, dan dat er buitengewoon de nadruk wordt gelegd op de grootheid van Frankrijk op alle gebieden van de cultuur, of zoals de Fransman pleegt te zeggen, „civilisatie". De jonge Fransman wordt immers niet tot objectiviteit opgevoed, maar tot het meest subjectieve inzicht, dat men zich maar denken kan, voorzover het er althans om gaat, de betekenis van de politieke en culturele grootheid van zijn vaderland tot hem te doen doordringen.


Deze opvoeding zal zich daarbij altijd dienen te beperken tot algemene, zeer belangrijke gezichtspunten, die, zo nodig door eindeloze herhaling, in het gevoel en geheugen van het volk moeten  worden geprent. Nu komt echter bij ons, naast de negatieve fout der nalatigheid, nog de positieve, dat wij het weinige, wat een gelukkige enkeling nog van de school mocht meenemen, nog vernietigen.


De ratten, die ons volk met politiek vergiftigden, vraten ook dit weinige nog uit het hart en de herinnering van de grote massa, voorzover de nood en de ellende daar nog niet voor zorgden. Men denke zich het volgende eens in: In een kelderwoning, bestaande uit twee bedompte kamers, woont een arbeidersfamilie, bestaande uit zeven personen. Stel, dat er nu onder de vijf kinderen ook een jongen van een jaar of drie is. Dit is de leeftijd, waarop de eerste indrukken bij een kind tot het bewustzijn doordringen. Bij begaafde mensen zijn nog tot op zeer hogen leeftijd sporen aanwezig van herinneringen uit deze tijd.    


Alleen al de bekrompenheid en de bedomptheid van de woonvertrekken werken in ongunstige zin op de onderlinge verhoudingen. Twist en ruzie zullen alleen hierdoor al dikwijls aan de orde van de dag zijn. De mensen leven immers op deze manier niet met elkaar, maar verdringen elkaar, leven ten koste van elkaar, van de lucht van de ander en de ruimte van de ander. Ieder meningsverschil, hoe klein ook, dat in een ruimere woning eenvoudig kan worden opgelost, doordat beide partijen elkaar enige tijd uit de weg gaan, leidt hier tot een nare ruzie, waar geen einde aan wil komen. Bij kinderen is dat natuurlijk nog te verdragen; zij kibbelen in zulke gevallen immers altijd en vergeten alles weer spoedig en volkomen.  

Indien echter deze strijd tussen de ouders zelf uitgevochten wordt, en dat dan nog bijna elke dag, in vormen, die aan ruwheid dikwijls niets te wensen overlaten, dan moet een dergelijk aanschouwelijk onderwijs na korten of langere tijd zijn invloed op de kinderen doen gelden. En voor iemand, die deze milieus niet kent, is het moeilijk, zich voor te stellen, van welke aard deze invloeden zullen zijn in de, toch niet zeldzame gevallen, dat de vader zich aan de moeder vergrijpt en haar, wanneer hij in beschonken toestand verkeert, zelfs mishandelt.   


Op zesjarige leeftijd vermoedt zulk een beklagenswaardige kleine jongen al dingen, waaraan een volwassene niet dan met afgrijzen kan denken. Moreel vergiftigd, lichamelijk ondervoed, het arme hoofdje vol luizen, zo komt de aanstaande „staatsburger" op school. Daar wordt hem dan met veel moeite wat lezen en schrijven bijgebracht, maar dat is dan ook vrijwel alles. Van enig leren thuis kan geen sprake zijn. Integendeel.  


Moeder en vader spreken immers zelf, en dat wel in tegenwoordigheid van de kinderen, op een wijze die niet weer te geven is, over de onderwijzers en de school, en zijn steeds veel eerder geneigd, de leraar grofheden toe te voegen, dan om hun spruit over de knie te leggen en tot rede te brengen. Wat de kleine man thuis verder nog opvangt, werkt ook niet mee om zijn respect voor de geliefde medemensen te vergroten. Geen goede eigenschap van de mensheid, die moeder en vader niet ontkennen, geen instelling, die ze niet veroordelen; van de schoolmeester tot en met het hoofd van de staat.  


 Of er sprake is van godsdienst of van de moraal zelf, van de staat of van de maatschappij, het komt er niet op aan, alles wordt beschimpt, op de gemeenste manier door de modder van een minderwaardige mentaliteit gesleurd. Indien nu het jongmens op veertienjarige leeftijd de school verlaat, valt het al moeilijk uit te maken, wat het grootste is: zijn ongelofelijke domheid, wat zijn werkelijk weten en kunnen betreft, de stuitende onbeschaamdheid van zijn optreden, of zijn gemis aan moraal, dat al op deze leeftijd ontstellend groot is.


Nu staat het jongmens dus op het punt om een lid van de maatschappij te worden; voor welke plaats is hij geschikt?    Er is hem vrijwel niets meer heilig – hij heeft niets groots leren kennen, maar hij vermoedt of kent iedere gemeenheid van het leven.


Uit het driejarige kind is een vijftienjarige gegroeid, die elk gezag veracht. Het leven heeft hem vuilheid en laagheid bijgebracht, maar heeft hem nog niets weten te geven, wat iets hogers bij hem had kunnen wakker roepen. En nu heeft hij nog maar de lagere school van dit leven doorlopen.  Thans begint voor hem hetzelfde leven, dat hij gedurende zijn kinderjaren zijn vader heeft zien leiden. Hij dwaalt rond en komt diep in de nacht thuis, ranselt voor afwisseling ook zelf nog eens het ineengeschrompelde wezen af, dat eens zijn moeder was, vloekt op God en de wereld en wordt tenslotte wegens de een of andere bijzondere aanleiding veroordeeld en naar een tuchtschool gestuurd. Daar ontvangt hij de laatste „vorming" .

En dan staat de brave burger nog verbaasd over het gebrek aan „nationaal gevoel" bij deze jongen „staatsburger". Hij ziet, hoe het vergif in theater en bioscoop, in schunnige literatuur en vieze persproducten dag aan dag, met emmers tegelijk, over het volk wordt uitgegoten, en staat dan nog verbaasd over het lage zedelijke gehalte, de „onverschilligheid tegenover het vaderland" bij de grote massa van dit volk.


Alsof prullige bioscoopvoorstellingen, vuile couranten en dergelijke ook maar het geringste besef van vaderlandse grootheid konden opwekken, zelfs wanneer men hierbij de vroegere opvoeding van de enkeling buiten beschouwing laat, en een gezonde normale vatbaarheid voor indrukken veronderstelt.


Wat ik vroeger nimmer vermoed had, leerde ik destijds vlug en grondig begrijpen. Het vraagstuk, hoe men een volk zijn nationaal besef terug kan geven is in de eerste plaats een kwestie van het scheppen van gezonde sociale toestanden als fundament voor de opvoedingsmogelijkheden van de enkeling. Want alleen hij, wiens opvoeding er, thuis als op school, op gericht is, om hem de culturele, economische, voor alles echter de politieke grootheid van zijn eigen vaderland te leren kennen, kan en zal ook een grote trots gaan voelen, dat hij tot zulk een volk mag behoren.


En strijden kan ik alleen voor dat, wat ik liefheb; ik kan alleen dat liefhebben, waarvoor ik eerbied gevoel; en om achting te kunnen gevoelen moet ik het voorwerp van die eerbied tenminste kennen.


Zodra mijn belangstelling voor de sociale kwestie gewekt was,begon ik haar ook zo diepgaand mogelijk te bestuderen. Het was een nieuwe, onbekende wereld, die hier voor mij openging. In de jaren 1909 en 1910 was er ook in mijn eigen toestand verandering gekomen, in zoverre, dat ik nu niet meer als los werkman mijn dagelijks brood behoefde te verdienen. Ik werkte destijds al zelfstandig als tekenaar en aquarellist. 


Hoe gering de verdienste in deze ook was — het was nauwelijks voldoende om van te leven — de school, die ik hier doorliep, was echter voor het beroep, dat ik mij gekozen had, zeer goed. Nu was ik niet meer doodmoe, wanneer ik van mijn werk terugkeerde, zoals vroeger altijd het geval was, maar kon werkelijk af en toe eens een boek lezen, zonder na korte tijd in te dommelen. Het werk,dat ik nu verrichtte, was immers van dezelfde aard als mijn aanstaande beroep. Ook kon ik, nu ik heer en meester was over mijn eigen tijd, deze werkelijk beter indelen, dan vroeger mogelijk was.


Ik schilderde om mijn brood te verdienen en leerde voor mijn genoegen. Hierdoor was het mij ook mogelijk, bij mijn aanschouwelijk onderwijs over het sociale probleem de noodzakelijke theoretische kennis dienaangaande op te doen.



Ik werkte zo ongeveer alles door, wat ik aan boeken op dit gehele gebied kon bemachtigen en dacht er overigens ook veel over na. Mijn omgeving moet mij destijds wel voor een zonderling hebben gehouden. Dat ik daarbij ook mijn studies op het gebied van de bouwkunst niet verwaarloosde, spreekt vanzelf. Want de bouwkunst scheen mij, naast de muziek, de koningin van de kunsten te zijn:


Daarom had ik, wanneer ik mij met haar bezig hield, ook geen ogenblik het gevoel, „aan het werk" te zijn; integendeel dit waren de gelukkigste momenten, die ik destijds kende. Ik kon tot laat in de nacht lezen of tekenen, het vermoeide mij nooit. zo versterkte zich mijn geloof, dat mijn schone toekomstdroom, zij het ook eerst na lange jaren, toch werkelijkheid zou worden. Ik was vast overtuigd, dat ik eenmaal als bouwmeester naam zou maken.


Dat ik daarnaast tevens de grootste belangstelling bezat voor alles, wat met politiek in verband stond, scheen mij niet van groot belang. Integendeel: dit was in mijn ogen immers de vanzelfsprekende plicht van ieder denkend mens. Wie daarvoor geen begrip bezat, verloor immers het recht tot iedere kritiek, en iedere klacht.

Ook hier las en leerde ik dus veel. Nu versta ik misschien onder „lezen" iets anders dan het grootste deel van onze zogenaamde „intellectuelen". Ik ken mensen, die oneindig veel lezen, boek na boek, letter voor letter, en die ik toch niet „belezen" zou willen noemen. Zij bezitten weliswaar een overmatige hoeveelheid „kennis", maar hun hersens verstaan de kunst niet, het opgenomen materiaal in te delen en te registreren. Hun ontbreekt de gave, om uit een boek datgene wat voor hen van waarde is, op te delven om dat dan in hun hoofd voor altijd te bewaren en om de rest, zo mogelijk helemaal niet te zien, om het in ieder geval echter niet als doelloze ballast mee te slepen.


Ook het lezen is immers niet zelf doel, maar enkel middel.  


Het dient in de eerste plaats mee te helpen om het kader, dat ieder zich door eigen aanleg en kundigheden opgelegd ziet, zo goed mogelijk te vullen; dus moet het de bouwstoffen en werktuigen leveren, die ieder afzonderlijk voor zijn levenstaak nodig heeft, onverschillig of die taak nu enkel bestaat uit het simpele „den kost verdienen" dan wel dat het er om gaat een hoge roeping te vervullen; in de tweede plaats echter moet het een middel zijn om de lezer een algemeen beeld te geven van de wereld.


Maar in beide gevallen is het noodzakelijk, dat de inhoud van het gelezene niet in de volgorde waarin het boek het weergaf, in ons geheugen bewaard blijft; evenmin mag de volgorde, waarin wij de boeken lazen, van enige invloed zijn. Nee, iedere eenheid moet afzonderlijk, als een mozaïeksteentje, de haar toekomende plaats in ons wereldbeeld vinden en moet er op die manier toe meewerken, dat dit wereldbeeld de lezer steeds zo scherp en volledig mogelijk voor de geest staat.  


Anders ontstaat er een verwarde massa „kennis", die enerzijds volkomen waardeloos is, en anderzijds de ongelukkige bezitter zonder reden verwaand maakt. Want deze meent nu werkelijk in alle ernst „ontwikkeld" te zijn, van het leven iets te begrijpen, kundigheden te bezitten, terwijl hij in werkelijkheid met ieder toenemen van een dergelijke „ontwikkeling" meer en meer van de wereld vervreemdt, totdat hij niet zelden of in een sanatorium of als politicus in een parlement terechtkomt.


Nooit zal het zo iemand mogen gelukken, uit de warboel van zijn „kennis" het juiste te voorschijn te halen voor de eis van het ogenblik, daar immers zijn geestelijke ballast niet in de lijn van het leven geordend gereed ligt, maar in de volgorde der boeken, die hij las. 


Mocht het noodlot bij zijn eisen voor het dagelijks leven hem al eens herinneren aan het eens gelezene, opdat hij er hier een goed gebruik van zou kunnen maken, dan zou het echter ook nog boek en bladzijde moeten noemen, daar de arme bloed anders in alle eeuwigheid het juiste niet zou vinden. Aangezien het dit nu echter niet doet, geraken deze waanwijzen op ieder kritiek ogenblik in de grootste verlegenheid, zoeken krampachtig naar analoge gevallen en grijpen natuurlijk met onfeilbare zekerheid naar de verkeerde recepten.

Indien dit niet zo ware, dan zouden de politieke prestaties van de bollebozen in de hoogste regeringsfuncties eenvoudig onverklaarbaar zijn, tenzij men dan, in plaats van pathologische aanleg, schurkachtige gemeenheid zou willen veronderstellen. Wie echter de kunst van het juiste lezen te pakken heeft, die zal bij het doorwerken van ieder boek, ieder tijdschrift of iedere brochure dadelijk voelen wat voor hem – hetzij omdat het voor een speciaal geval betekenis heeft of omdat het in 't algemeen wetenswaardig is – de moeite waard is om onthouden te worden. 


Zodra datgene, wat men op die wijze verworven heeft, organisch is samengegroeid met het al aanwezige beeld, dat men zich van de zaak in kwestie gemaakt had, dan zal het óf verbeterend of aanvullend werken, dus of de juistheid of de duidelijkheid ervan verhogen. Legt nu het leven plotseling de een of andere kwestie ter toetsing of beantwoording voor, dan zal, bij zo’n manier van lezen, het geheugen ogenblikkelijk het al aanwezige, aanschouwelijke beeld te hulp roepen en daaruit alle, sinds tientallen jaren verzamelde bijdragen te voorschijn halen, die betrekking hebben op vragen van deze aard en zal met behulp hiervan de kwestie ophelderen of beantwoorden.

Alleen wanneer het zo gebeurt, heeft lezen zin en doel. Een redenaar bijvoorbeeld, die niet op zo’n wijze onderlegd is, zal nooit in staat zijn, om, wanneer men het niet met hem eens is, zijn mening op overtuigende wijze te verdedigen, al komt deze mening ook duizendmaal overeen met de waarheid en de werkelijkheid. Bij iedere discussie zal zijn geheugen hem smadelijk in de steek laten; hij zal al evenmin redenen vinden om hetgeen hijzelf beweerd heeft te staven, als argumenten tegen de mening van de tegenstander.


Zolang het daarbij, zoals bij een redenaar, in de eerste plaats een blamage is voor de spreker zelf, dan heeft dit nog weinig te betekenen; maar het wordt ernstig wanneer het noodlot zo'n man, die veel „weet" maar niets kan, tot staatshoofd verheft. Ik heb mij van mijn prilste jeugd af, ingespannen, om op juiste wijze te lezen en was daarbij zo gelukkig, zowel door mijn geheugen als door mijn verstand te worden ondersteund. En in dat opzicht was vooral de Weense tijd vruchtbaar en waardevol voor mij. 


De ervaringen van het dagelijks leven vormden een prikkel tot steeds nieuwe studie over de meest uiteenlopende problemen. Terwijl ik tenslotte daardoor in staat was, het hoe en waarom van de toestanden te vinden, en die theorie aan de werkelijkheid te toetsen, bleef ik voor twee gevaren gespaard, n.l. enerzijds het gevaar, om in de theorie te verstikken, anderzijds dat, om door de werkelijkheid te vervlakken. zo gaven in deze tijd de ervaringen van het dagelijks leven voor mij de doorslag in twee belangrijke vraagstukken — nog afgezien van de sociale kwestie — en werden mij tevens een aansporing om dieper op de theorie dezer vraagstukken in te gaan.


Wie weet, wanneer ik er ooit toe zou zijn gekomen, om mij in de leer en het wezen van het marxisme te verdiepen, indien deze tijd dit vraagstuk niet letterlijk tot een eigen levensprobleem voor mij had gemaakt.

Wat ik in mijn jeugd van de sociaal-democratie wist, was bedroevend weinig en veelal onjuist. Dat zij de strijd voerde voor algemeen en geheim kiesrecht, deed mij innerlijk genoegen. Immers, mijn verstand zei mij toen al, dat dit moest leiden tot een verzwakking van de heerschappij van de Habsburgers. In de overtuiging dat de Donaumonarchie, behalve dan door opoffering van haar Duitse karakter, toch nooit te behouden zou zijn, dat echter zelfs indien men had toegestemd in een langzame Slavisering van het Duitse element, men nog geenszins de zekerheid zou hebben gehad, dat er dan ook werkelijk een levensvatbaar rijk zou ontstaan, daar de staats-vormende kracht van het Slavendom niet dan zeer zwak kan worden genoemd, juichte ik iedere ontwikkeling toe, die, mijns inziens, deze tegennatuurlijke staat ten val kon brengen, deze staat, die tien miljoen Duitsers ter dood veroordeelde. 


En hoe meer de chaos van talen het parlement aantastte en uiteenscheurde, des te nader kwam het uur, dat dit Babylonische rijk ineenzakte, maar daarmee ook het uur der vrijheid voor mijn Duits-Oostenrijkse volk. Want alleen zo kon eenmaal de „Anschlusz" aan RijksDuitsland weer bereikt worden. Zodoende stond ik dus niet onsympathiek tegenover de actie van de sociaal-democratie. Ik was destijds nog zo argeloos en dom om te geloven, dat het inderdaad haar einddoel was, de levensvoorwaarden van de arbeiders te verbeteren en dat scheen mij eerder voor dan tegen haar te pleiten.


Wat mij het meest in haar afstootte, was haar vijandige houding in de strijd om het behoud van ons Duitse karakter, en haar erbarmelijk gekruip en gelik om de gunst van de Slavische „partijgenoten", die zich dit, voorzover het gepaard ging met materiele voordelen, graag lieten aanleunen, maar zich overigens met een arrogant schouderophalen afzijdig hielden en zo de opdringerige bedelaars hun verdiende loon gaven. Zodoende was mij, toen ik zeventien jaar oud was, het woord marxisme feitelijk nog onbekend, terwijl „sociaal-democratie" en socialisme begrippen van dezelfde orde waren voor mij. Ook hier was eerst weer de vuist van het noodlot nodig, om mij de ogen te openen voor dit hoogst schandelijke volksbedrog. 


Tot dusver was ik alleen nog maar als toeschouwer bij enkele massademonstraties met de sociaal democratische partij in aanraking gekomen, en miste ik werkelijk ieder inzicht in de mentaliteit van haar aanhangers of zelfs in het wezen van haar leer. Nu kwam ik opeens in aanraking met de producten van haar opvoeding en „wereld-beschouwing".

En wat anders misschien pas na tientallen van jaren opgekomen zou zijn, dat groeide nu in de loop van luttele maanden! het besef namelijk, dat zich hier onder het mom van sociaal besef en van naastenliefde een pestilentie verbergt, van zodanige aard, dat het der mensheid geraden is, de aarde zo spoedig mogelijk hiervan te verlossen, omdat het anders maar al te licht zou kunnen gebeuren, dat de aarde van de mensen verlost raakt. Bij een woningbouw had mijn eerste ontmoeting met de sociaal democratie plaats.


Nu waren de omstandigheden waaronder deze kennismaking plaats vond, al van het begin af, niet ideaal geweest. Mijn kleding was nog enigszins in orde, mijn taal verzorgd en mijn houding iets gereserveerd. Ik had met mij zelf teveel uit te vechten, dan dat ik mij veel met mijn omgeving had kunnen bemoeien. Ik zocht alleen maar naar werk, om niet te verhongeren, en om mij daardoor, hoe langzaam ook, verder te kunnen ontwikkelen. Ik zou mij om mijn nieuwe omgeving misschien helemaal niet hebben bekommerd, wanneer niet al op de derde of vierde dag een gebeurtenis had plaats gevonden, die mij onmiddellijk dwong, partij te kiezen.

Men raadde mij vermanend aan, me bij een bepaalde organisatie aan te sluiten. Nu wist ik destijds nog absoluut niets van de vakbeweging af. Ik zou haar doelmatigheid al evenmin als haar ondoelmatigheid hebben kunnen verdedigen. Maar omdat men mij zei, dat ik toetreden moest, weigerde ik. Ik gaf hiervoor als reden op, dat ik van de zaak geen verstand had, maar dat er absoluut niets bestond, waartoe ik mij liet dwingen. Misschien was dat de reden, dat men mij er niet onmiddellijk uitgooide.


Mogelijk hoopte men wel, dat ik na een paar dagen bekeerd of murw geworden zou zijn. In ieder geval heeft men zich daarin volkomen vergist. Na veertien dagen kon ik al niet meer lid worden, ook indien ik nog gewild had. In deze veertien dagen leerde ik mijn omgeving nader kennen, en het resultaat daarvan was, dat geen macht ter wereld mij meer had kunnen bewegen, toe te treden tot een organisatie, welker ware mentaliteit mij intussen in de persoon van haar aanhangers, in alle afzichtelijkheid duidelijk geworden was. 


De eerste dagen ergerde ik mij. 's Middags ging een gedeelte naar de nabij gelegen herbergen, terwijl een ander deel op de bouwplaats bleef en daar zijn, meestal zeer armelijk, middagmaal gebruikte. Dit waren de getrouwde mannen, wier vrouwen in armzalig vaatwerk de middagsoep kwamen brengen. Tegen het einde van de week werd dit laatste aantal steeds groter; pas later begreep ik, waarom. Ik dronk mijn fles melk en at mijn stuk brood ergens aan de kant en bestudeerde voorzichtig mijn nieuwe omgeving of dacht na over mijn eigen ellendig lot.


Niettemin hoorde ik meer dan genoeg; ook scheen het mij dikwijls toe, alsof men opzettelijk dichter bij mij kwam zitten; misschien om mij er zo toe te brengen, partij te kiezen. In ieder geval was dat, wat ik zoal hoorde, wel geschikt, om mij tot het uiterste te prikkelen.  


Men gaf op letterlijk alles af; de natie, die een uitvinding van de „kapitalistische" — hoe dikwijls moest ik alleen dit woord niet horen — klasse was; het vaderland, dat een instrument van de bourgeoisie om „de arbeidersklassen uit te buiten" genoemd werd; de school, als instituut tot het kweken van slaven, maar ook van slavenhouders, de Godsdienst als domhoudertje voor het volk, dat uitgebuit moest worden, de moraal als teken van domme, schaapachtige gedweeheid, enz.

Er was werkelijk niets, dat niet op een zeer minderwaardige manier werd gehekeld en bezwadderd. Eerst trachtte ik te zwijgen. Tenslotte was echter ook dat niet meer mogelijk. Ik begon partij te kiezen, begon tegen te spreken. Toen moest ik inderdaad erkennen, dat dit volkomen kansloos was, zolang ik niet een bepaalde kennis had over de omstreden punten. Daarom begon ik om de bronnen te onderzoeken, waaruit zij hun vermeende wijsheid putten. Boek na boek, brochure na brochure kwam nu aan de beurt.


Op de aanbouw ging het nu dikwijls warm toe. Ik streed, van dag tot dag, ook over hun eigen stellingen beter ingelicht dan mijn tegenstanders zelf, tot op zekeren dag dat middel te baat genomen werd, dat inderdaad het gemakkelijkst in staat is, om het verstand te verslaan: de terreur, het geweld.

Enige woordvoerders van de tegenpartij stelden mij voor de keuze, om of de aanbouw dadelijk te verlaten, of van de steiger te worden geworpen. Daar ik alleen was en tegenstand niets gebaat zou hebben, gaf ik er de voorkeur aan, om, weer een ervaring rijker, het eerste te kiezen. Ik ging, van walging vervuld, maar was tegelijkertijd zo geschokt, dat het mij geheel onmogelijk zou zijn geweest, om me nu nog langer afzijdig te houden van dit vraagstuk. 


Nee, toen de eerste diepe verontwaardiging voorbij was, kreeg de koppigheid weer de overhand. Ik was vast besloten, toch weer werk te zoeken bij een nieuwbouw. In dit besluit werd ik nog gesterkt door de nood, die, toen enige weken later mijn geringe spaargelden opgebruikt waren, weer mijn bitter deel werd. Nu moest ik, of ik wilde of niet. En het spel begon dan ook van voren af aan, en eindigde op soortgelijke wijze als de eerste maal.

Destijds vocht ik in mijzelf een moeilijke strijd uit over de vraag, of deze mensen nog waardig waren, om tot een groot volk te behoren?! Een pijnigende vraag, want wordt zij met ja beantwoord, dan is de strijd voor het behoud van de volkseigenheden werkelijk niet meer de moeite en offers waard, die de besten voor zulk een uitschot moeten brengen; luidt het antwoord echter nee, dan heeft ons volk dus al gebrek aan mensen. Ongerust en beklemd zag ik in zulke dagen van peinzen en tobben, hoe het aantal van diegenen, die niet meer tot hun volk gerekend konden worden, aangroeide tot een dreigende legerschaar. 


Het waren nu wel geheel andere gevoelens, die zich van mij meester maakten, toen ik op zekere dag ter gelegenheid van een demonstratie weer de eindeloze rijen Weense arbeiders zag voorbij trekken. Bijna twee uur lang stond ik daar en aanschouwde met ingehouden adem die ontzaglijke reuzenslang van mensen, die langzaam voorbij kroop. In gedrukte stemming verliet ik tenslotte mijn plaats en wandelde naar huis. Onderweg zag ik in een sigarenwinkel de „Arbeiterzeitung" het centrale orgaan van de oude Oostenrijkse sociaal democratie hangen. 

Weliswaar lag het blad ook in het goedkope volkskoffiehuis, waar ik dikwijls kwam, om er kranten te lezen, maar tot dusver had ik mijn walging nog niet zozeer weten te onderdrukken, dat ik dat miserabele blad, waarvan zowel toon als inhoud als geestelijk vitriool op mij werkten, langer dan twee minuten had kunnen inkijken. De deprimerende indruk, die de demonstratie bij mij had wakker geroepen, drong mij nu, om het blad eens te kopen en het dan grondig te lezen. 's Avonds deed ik dat dan ook, waarbij ik menig maal mijn opkomende woede over deze geconcentreerde oplossing van leugen moest onderdrukken.

Ik zag nu al spoedig, dat niet zozeer het doorwerken van de theoretische geschriften der sociaal-democratie, als wel de dagelijkse lectuur van haar pers het best geschikt was, om mij spoedig de ware inhoud en het ware karakter van deze gedachtewereld bloot te leggen.


Want wat voor verschil bestaat er niet tussen de theoretische literatuur enerzijds, met haar schitterende frasen over vrijheid, schoonheid en waardigheid, haar misleidend woordenspel, dat zich de air geeft, alsof het er eindelijk, na veel moeite, in is geslaagd, de hoogste wijsheid uit te drukken, haar stuitend humanistische moraal – en dat alles dan nog met de koele zekerheid van een profeet neergeschreven — en anderzijds de grenzeloos grove en platte dagbladpers van deze heilsleer van de nieuwe mensheid, die geen gemeenheid te laag acht, die met iedere laster werkt, en een waarlijk ongelooflijke virtuositeit in het liegen heeft bereikt. Het eerste is bestemd voor de onnozele halzen uit de middenstand en natuurlijk ook uit de „intellectuele kringen", het andere voor de massa. 


En van het ogenblik af, dat ik mij verdiepte in de literatuur en de pers van deze leer en organisatie, vond ik de weg naar mijn volk terug. Wat mij eerst een onoverbrugbare kloof toescheen, zou nu aanleiding worden tot een nog grotere liefde dan ooit te voren. Alleen een dwaas kan wanneer hij van dit ongehoorde vergiftigingswerk af weet, nog bovendien het slachtoffer veroordelen.


Hoe meer ik mij in de volgende jaren onafhankelijk maakte, des te meer groeide mijn verwijdering van deze gedachtewereld, mijn inzicht in de diepere oorzaken der sociaal-democratische successen. Thans begreep ik de betekenis van de brutale eis, om enkel rode kranten te lezen, enkel rode vergaderingen te bezoeken, enkel rode boeken te lezen, enz. En duidelijk zag ik de onvermijdelijke gevolgen voor mij, waartoe deze leer der onverdraagzaamheid moest leiden. De ziel der grote massa is niet ontvankelijk voor iets, wat halfslachtig en zwak is.


Evenals de vrouw, wier gevoelens ook veel minder bepaald worden door abstracte verstandelijke redenen, maar veel meer door een ondefinieerbaar instinctief verlangen naar aanvullende kracht, en die zich daarom liever buigt voor de sterke, dan dat zij de zwakke beheerst, verkiest ook de massa de heerser boven de smekeling en voelt zich innerlijk meer bevredigd door een leer, die geen andere naast zich duldt, dan door een, die haar in liberale zin de vrijheid laat, zij weet met die vrijheid dan ook maar weinig te beginnen en voelt zichzelf min of meer verlaten.

Het komt niet in haar op, hoe onbeschaamd de terreur is, die  zodoende op haar wordt uitgeoefend, zij voelt niet, hoe schandelijk haar menselijke vrijheid hier wordt beknot, eenvoudig, omdat zij in de verste verte niet vermoedt, hoe vals en onjuist deze leer in wezen is. Zodoende ziet zij — de massa — enkel de meedogenloze kracht, en het brute geweld, dat in al de doelbewuste uitingen van deze leer aan de dag treedt, –  en dit is iets, waarvoor zij tenslotte altijd buigt. Indien tegenover de sociaal-democratie een leer gesteld wordt van groter waarachtigheid, maar even grote onverzoenlijkheid, dan zal de laatste overwinnen, zij het dan ook na zeer zware strijd. 


Voordat er twee jaar verlopen waren, kende ik zowel de leer als ook de techniek van de sociaal-democratie terdege. Ik begreep de schandelijke geestelijke terreur, die deze beweging vooral op de bourgeoisie uitoefent, die tegen zulke aanvallen noch moreel, noch door kracht van overtuiging opgewassen is, een terreur die hoofdzakelijk hierin bestaat, dat op een gegeven teken altijd een formeel trommelvuur van leugen en laster los barst tegen de tegenstander die als het gevaarlijkst wordt beschouwd, wat dan zolang wordt voortgezet, tot de zenuwen van de aangevallenen het begeven, en zij, alleen om maar weer rust te hebben, de grote vijand van de heren marxisten in de steek laten.


Het spel begint opnieuw en wordt zo dikwijls herhaald, tot de vrees voor de boze boeman tot een hypnotische verlamming leidt. Daar de sociaal-democratie de waarde van de kracht uit eigen ondervinding het best kent, loopt zij ook bij voorkeur storm tegen diegenen, die zij er van verdenkt in het bezit te zijn van een gering kwantum van deze, toch al zo zeldzame, bouwstof. Voorts prijst zij iedere zwakkeling aan de andere zijde, nu eens voorzichtig, dan weer luider, naar gelang van zijn vermeende of gebleken geestelijke capaciteiten. Zij heeft minder angst voor een zwak en willoos genie dan voor een energieke figuur met bescheiden geestelijke gaven. 


Maar de meest uitbundige loftuitingen heeft ze voor diegenen, die zowel energie als geest missen. Zij weet de schijn te wekken, alsof alleen op die manier de rust kan worden gehandhaafd, terwijl zij ondertussen wijs en voorzichtig, maar niettemin onvermoeibaar de ene positie na de andere verovert, nu eens door chantage, dan weer door doodgewone diefstal op ogenblikken, dat de algemene aandacht op andere dingen gevestigd is, en of niet gestoord wil worden oftewel de kwestie te nietig acht, om er ophef over te maken, waardoor immers de lastige tegenstander ook weer onmiddellijk op zijn achterste benen zou staan. 


Deze tactiek is in haar soort een meesterwerk dat met alle menselijke zwakheden nauwkeurig rekening houdt, en bijna wiskundig zeker tot succes moet leiden, indien tenminste de tegenpartij niet leert, om gifgas met gifgas te bestrijden. Hierbij moet men de zwakkere karakters er van doordringen, dat het hier een kwestie is van zijn of niet zijn.


Al spoedig werd mij ook de betekenis der lichamelijke terreur tegen de enkeling, of tegen de massa duidelijk.


Ook hierbij wordt natuurlijk de psychologische uitwerking zo nauwkeurig mogelijk berekend. De terreur in de werkplaatsen, in de fabriek, in vergaderlokalen, en bij massademonstraties zal altijd met succes bekroond worden, wanneer ze niet een even grote terreur tegenover zich vindt.


Ongetwijfeld zal de partij in dat geval een ontzettend gehuil aanheffen, en moord en brand gaan schreeuwen, ze zal hoewel ze vanouds de staatsmacht veracht, deze jammerend te hulp roepen, en zal in de meeste gevallen door de algemene verwarring werkelijk haar doel bereiken, zij zal namelijk een ezelachtige ambtenaar vinden, die – in de dwaze hoop, zich voor later de genegenheid van de gevreesde tegenstander te verzekeren – de vijand van deze wereldpest helpt neerslaan.


Welke indruk zo’n afloop maakt op de mening van de grote massa, zowel op de aanhangers, als op de tegenstanders, kan alleen hij beoordelen, die de ziel van het volk niet uit boeken, maar uit het leven kent. Want, terwijl in de rijen van haar aanhangers de behaalde zege nu beschouwd wordt als de overwinning van de eigen rechtvaardige zaak, wanhoopt de verslagen tegenstander in de meeste gevallen aan het nut van ieder verder verzet. Hoe meer ik de methoden van deze terreur – en vooral die van de lichamelijke – leerde kennen, des te kleiner werd voor mij de schuld van de honderdduizenden, die voor deze dwang hadden gebukt.
Maar voor één ding zal ik die harden en moeilijken tijd steeds dankbaar blijven; dat hij het was, en hij alleen, die mij mijn volk heeft terug gegeven, en dat ik leerde, de slachtoffers van de verleiders te onderscheiden.


En anders dan slachtoffers kan men datgene, wat er na deze geestelijke mishandeling nog van de mensen is overgebleven, niet noemen. Want deze poging, om in enkele flitsen het wezen van deze „onderste" lagen van de bevolking naar het leven te schetsen, zou niet volledig zijn, wanneer ik niet erkende, dat ik in deze diepten toch ook weer lichtpunten vond zoals bijvoorbeeld een, dikwijls zeer grote, offervaardigheid, aller trouwste kameraadschap, buitengewone tevredenheid en bescheidenheid, vooral onder de oudere arbeiders.


En hoewel deze deugden ook bij de jongere generatie meer en meer teloor gingen, alleen al door de invloed, die van het grotestadsleven uitging, toch waren er ook zelfs hier nog velen, wier kerngezonde bloed de laagheden van het leven overwon.

Dat deze brave, dikwijls hoogstaande mensen, in de politiek toch meestal de partij van de doodsvijanden van het volk kozen, en deze zo versterkten, kwam doordat zij de perfiditeit van die nieuwe leer niet begrepen en ook niet konden begrijpen; ook werd dit veroorzaakt door het feit, dat niemand anders het nodig achtte, zich om hen te bekommeren, en tenslotte, doordat de dwang van de sociale omstandigheden tóch sterker was, dan iedere, mogelijk aanwezige, wil om zichzelf te blijven. De nood, die de een of andere dag toch hun deel zou worden, dreef hen toch nog het kamp der sociaal-democratie binnen. 


Daar de bourgeoisie zich ontelbare malen op de meest onhandige, maar ook meest immorele manier verzette tegen letterlijk iedere eis – zelfs tegen een, die een uitvloeisel van de meest elementaire menselijkheid was – en dat dan dikwijls nog zonder enig nut uit een dergelijke houding te verkrijgen of zelfs geheel zonder zulk een nut of voordeel te kunnen verwachten, werd ook de fatsoenlijke arbeider uit de vakorganisatie tot politieke activiteit gedreven.  Ongetwijfeld stonden aanvankelijk miljoenen arbeiders in hun hart vijandig tegenover de sociaal democratische partij, maar deze afkeer werd tenslotte overwonnen door de dikwijls krankzinnige wijze, waarop de burgerlijke partijen zich tegen iedere eis van sociale aard teweer stelden.

Dit stomme botte afwijzen van iedere poging om de sociale toestanden te verbeteren, om bij sommige machines beschermende maatregelen te treffen, om de kinderarbeid te beperken, om de vrouw, tenminste in de maanden, dat ze een kind onder het hart draagt, te beschermen, – dit alles werkte er toe mee, om de massa in de armen van de sociaal-democratie te drijven, die al deze bewijzen van die ellendige mentaliteit dankbaar gebruikte, om er politieke munt uit te slaan. 


Nooit kan de politieke bourgeoisie weer goedmaken, wat ze hier misdeed. Want door zich te verzetten tegen iedere poging, om sociale misstanden op te heffen, zaaide ze haat en rechtvaardigde schijnbaar de beweringen van de doodsvijanden van het gehele volk, dat alleen de sociaal democratische partij voor de belangen van het werkende volk opkwam.
De bourgeoisie schiep zodoende in de eerste plaats de morele rechtvaardiging voor het bestaan van vakverenigingen, de organisatie, die steeds de grootste werfkracht der politieke partij is gebleken.


In mijn leerjaren te Wenen werd ik gedwongen, of ik wilde of niet, om ook mijn houding te bepalen ten opzichte van de vakverenigingen Daar ik ze voor een onafscheidelijk bestanddeel van de sociaal democratische partij zelf aanzag, was mijn oordeel snel gereed – en onjuist. Ik wees ze, vanzelfsprekend, rondweg af. Ook in dit, zo buitengewoon belangrijke vraagstuk gaf het lot mij onderricht.  


En de uitwerking hiervan was, dat ik mijn oorspronkelijk oordeel herzag. Toen ik twintig jaar oud was, had ik geleerd,onderscheid te maken tussen de vakvereniging als middel tot verdediging van sociale rechten voor de arbeidnemers in het algemeen, en tot verovering van een levenspeil in het bijzonder — en de vakvereniging als instrument van de partij van de politieke klassenstrijd. Het feit, dat de sociaal democratie de enorme betekenis van de vakbeweging inzag, gaf haar dat instrument en daarmee het succes in handen.

Dat de bourgeoisie dit niet begreep, kostte haar politieke positie. Zij meende met een hooghartig afwijzend gebaar een logische ontwikkeling te kunnen weerhouden en dwong deze daardoor nu in onlogische banen. Want dat de vakbeweging als zodanig vijandig tegenover het vaderland zou moeten staan, is onzin en bovendien niet waar. Eerder is het tegendeel juist. Want de vakvereniging heeft ten doel om de bestaansmogelijkheden te verbeteren van een stand, die één der hoofdpijlers van de natie is; en daardoor is niet alleen iedere beschuldiging van vijandschap harerzijds, tegen vaderland of staat, ten ene male misplaatst, maar kan men alleen zeggen, dat ze „nationaal" is in de beste betekenis van het woord. 


Zij immers helpt mee de sociale toestanden te scheppen, zonder welke een nationale opvoeding eenvoudig niet denkbaar is. Zij spant zich in, om de sociale kankergezwellen, die ons volk naar lichaam en geest uitmergelen, te verwijderen; hierdoor draagt zij bij tot de algemene gezondheid van het volk, en maakt zich zodoende hoogst verdienstelijk. De vraag of zij noodzakelijk is, mag dus waarlijk overbodig worden genoemd.


Zolang er onder de werkgevers nog mensen zijn met een tekort aan sociaal besef, die zelfs het gevoel voor recht en redelijkheid ontbreekt, is het niet alleen het recht, maar ook de plicht van hun werknemers, die toch een deel van ons volk vormen, om de algemene belangen te beschermen tegen de hebzucht en het wanbegrip van een enkeling; want het handhaven van trouw en geloof in een volk is evenzeer in het belang der natie, als het behoud van zijn lichamelijke gezondheid. 


Beide worden door een minderwaardig slag werkgevers, die ieder saamhorigheidsgevoel met de volksgemeenschap missen, ernstig bedreigd. Want de toekomst zal de gevolgen van hun hebzucht of meedogenloosheid pijnlijk voelen. Zodoende werkt iedereen, die een dergelijke ontwikkeling tegengaat door haar oorzaken te vernietigen, in het belang der natie, en geenszins anti nationaal.


Laat men nu niet komen met het argument, dat het toch iedereen vrijstaat, om de consequenties te trekken uit een werkelijk of vermeend onrecht, dus om heen te gaan. Nee! Dat is maar een schijnargument en moet gebrandmerkt worden als een poging, om de aandacht van de werkelijke kwestie af te leiden. De opruiming van sociale misstanden is of in het belang der natie of niet. Zo ja, dan moet de strijd ertegen aangebonden worden met de wapens, die kans op succes geven.

De arbeider alléén echter is nimmer in staat, om iets te beginnen tegen de macht van de grote werkgever, aangezien het hier onmogelijk de vraag kan zijn wie gelijk of wie het meest gelijk heeft – in dat geval, wanneer men dus erkende, dat het een kwestie van recht was, zou er immers in het geheel geen  aanleiding zijn voor onenigheid – maar het hier eenvoudig alleen om brute macht gaat. 


Anders zou het aanwezige rechtsgevoel alleen al de strijd op eerlijke wijze beslechten, of juister, het zou die strijd voorkomen. Nee, wanneer ergens een onsociale of onwaardige behandeling van mensen tot verzet leidt, dan kan deze strijd, zolang niet wettelijke rechtelijke instanties geschapen worden, om een einde te maken aan deze misstanden, slechts beslist worden door het recht van de sterkste. Hierdoor komt men echter noodzakelijkerwijze tot de conclusie dat de arbeiders, wanneer ze althans niet al van te voren iedere kans op overwinning willen laten varen, in staat moeten zijn, in de ondeelbaar geheel tegen de patroon op te treden, in wiens persoon immers ook de gehele macht is geconcentreerd.


Zo kan de vakorganisatie het sociale vraagstuk in de praktijk helpen oplossen, en kunnen hierdoor de aloude twistpunten, die telkens weer tot ontevredenheid plachten te leiden, worden vernietigd. Dat dit heden ten dage nog niet het geval is, moet voor een zeer groot deel worden geweten aan diegenen, die de kunst verstonden, letterlijk iedere sociale wet te dwarsbomen, of door middel van hun politieke invloed te voorkomen. 


En terwijl nu de politieke bourgeoisie de betekenis van de vakorganisatie niet inzag, of beter, niet wilde inzien en die vakorganisatie overal en altijd tegenwerkte, trok de sociaal-democratie zich het lot van de omstreden beweging aan. Zij gaf daarmee blijk van een scherpe blik, en schiep zichzelf door deze hulpverlening een stevige basis, die al enige malen op kritieke momenten de laatste redder uit de nood bleek te zijn. 


De sociaal-democratie heeft er nimmer aan gedacht, om toe te staan, dat de zo veroverde vakbeweging ook inderdaad haar werkelijke taak vervulde. Nee. In enkele tientallen jaren was onder haar vaardige hand uit het middel der verdediging van de sociale rechten van de mens, een instrument gegroeid tot vernietiging van de nationale huishouding. Hierdoor raakte echter het eigenlijke doel op de achtergrond en streefde deze misbruikte vakbeweging voortaan geheel andere doeleinden na.

Want ook in politiek opzicht biedt het gebruik van economische dwangmiddelen gelegenheid, om altijd chantage te plegen, wanneer aan de ene kant maar voldoende gewetenloosheid, en aan de andere kant maar voldoende dom schaapachtig geduld is. En aan deze beide voorwaarden was hier voldaan. 


In het begin van de twintigste eeuw had de vakbeweging al lang opgehouden, haar vroegere taak te vervullen. Van jaar tot jaar was zij meer een werktuig van de sociaal democratische politiek geworden, en werd tenslotte voor niets anders meer gebruikt, dan als stormram bij de klasse strijd. Zij moest het gehele, met zoveel moeite tot stand gekomen bouwwerk der nationale economie door voortdurende schokken tenslotte tot instorting brengen, waardoor dan het staatsgebouw, dat dus van zijn economische grondvesten beroofd was, gemakkelijker een eender lot zou kunnen ondergaan.


De behartiging van de werkelijke behoeften van de arbeiders raakte hierdoor steeds meer op de achtergrond. Ja, uiteindelijk bleek de hoogste politieke wijsheid zelfs te vereisen, dat er helemaal niets meer werd gedaan, om de sociale en zelfs de culturele noden der brede massa te lenigen, daar men dan immers gevaar liep, dat de verlangens van deze mensen bevredigd zouden worden, waardoor men ze niet langer als willoze stoottroep zou kunnen gebruiken. 


Een dergelijke ontwikkeling, die de heren leiders van de klassenstrijd maar al te waarschijnlijk voorkwam, joeg hun zo’n angst aan, dat zij tenslotte iedere werkelijk effectieve sociale verbetering kortweg afwezen, en zich zelfs uit alle macht daartegen verzetten. Mochten er zijn, die een dergelijke houding onverstandig achtten, dan was men om een motivering nooit verlegen. Want doordat men de eisen steeds hoger opvoerde, scheen de kans op een vervulling daarvan klein en onbeduidend.


En hierdoor kon men de massa wijsmaken, dat het weer ging om een duivelse poging door de inwilliging van zulk een bespottelijk onbelangrijk onderdeel van de heiligste rechten der arbeiders, hun stootkracht voor een koopje te verzwakken – ja, zo mogelijk lam te leggen.  


Gezien het geringe denkvermogen van de grote massa hoeft men zich over het succes van zulke methode niet te verwonderen. In het burgerlijke kamp was men verontwaardigd over de zo kennelijke onwaarachtigheid van de sociaal-democratische tactiek, maar men wist daaruit ook niet de geringste nuttige les te putten voor de richtlijnen van het eigen beleid.


Juist de vrees van de sociaal-democratie voor iedere werkelijke opheffing van de arbeidersstand uit de diepte van zijn tegenwoordige culturele en sociale ellende had een reden moeten zijn, dat men zich aan de overzijde tot het uiterste inspande, juist óm deze verbetering te bereiken en om de aanhangers van de klassenstrijd hierdoor langzamerhand dit wapen der ontevredenheid uit de handen te wringen. 


Dit gebeurde echter niet. In plaats van, door middel van een eigen aanval, de stelling van de vijand te nemen, liet men zich liever dringen en dwingen, en greep tenslotte naar volkomen ontoereikende middelen, die zonder uitwerking bleven, omdat ze te laat kwamen, en ook gemakkelijk af te weren waren, omdat ze te weinig betekenden. Zodoende bleef in werkelijkheid alles bij het oude, alleen was de ontevredenheid groter dan te voren. Als een dreigende onweerswolk hing destijds al de „vrije vakvereniging" boven de politieke horizon en boven het bestaan van de enkeling. 


Zij was een van de vreselijkste terreurwerktuigen tegen de veiligheid en de onafhankelijkheid van de nationale economie, tegen de stevigheid van de staat en de persoonlijke vrijheid. Zij was het, meer dan iets of iemand anders, die het begrip democratie tot een weerzinwekkend belachelijke frase maakte, die de vrijheid schond en de meest grove bespotting van iedere idee van broederschap was, door de haar maar al te zeer nagestreefde leus: „Und willst du nicht Genosse sein, so schlagen wir dir die Schädel ein." (En wil je onze kameraad niet zijn, dan slaan wij je de hersens in.) 


Zo leerde ik destijds deze vrienden van de mensheid kennen. In de loop der jaren heeft mijn mening over haar zich wel verbreed en verdiept maar te veranderen behoefde ik ze niet. Hoe meer inzicht ik kreeg in het uiterlijke wezen van de sociaaldemocratie, des te groter werd mijn verlangen, om de eigenlijke kern van deze leer te begrijpen. De officiële partijliteratuur kon hierbij natuurlijk maar van weinig nut zijn.


Zij is, waar het economische kwesties betreft, onjuist in stelling en bewijs; waar politieke doelstellingen behandeld worden, is ze leugenachtig. Daarbij kwam, dat vooral de nieuwe, rechtsverdraaide wijze van uitdrukking en de manier, waarop de dingen werden voorgesteld, mij zeer tegen de borst stuitten. Met een geweldigen stroom van vage of onbegrijpelijke woorden flanst men zinnen samen, die even zinloos zijn, als ze geniaal willen schijnen. 


Alleen het meest decadente gedeelte van onze grote stads bohème kan zich behaaglijk voelen in dit doolhof van het verstand, en alleen dit allegaartje ziet kans om uit de mest van dit literair dadaïsme nog „innerlijk beleven" op te vissen; een mogelijkheid, die natuurlijk nog vergroot wordt door de spreekwoordelijke bescheidenheid van een deel van ons volk, dat in de woorden des te diepere wijsheid vermoedt, naarmate het er zelf minder van begrijpt. Maar ik kreeg, door zo de onwaarachtigheid en innerlijke tegenstrijdigheid van de theorie en het werkelijke beeld, dat zij ons bood, te vergelijken, langzamerhand een helder inzicht in de werkelijke bedoelingen van deze leer. 


In zulke uren bekropen mij sombere voorgevoelens en vreesde ik het ergste. Ik zag dan een leer voor mij, die uit egoïsme en haat was opgebouwd, die wiskundig zeker de overwinning kon behalen, maar die daardoor tot de verdelging van de mensheid zou leiden. Want ik had ondertussen het verband leren zien tussen deze leer van de vernietiging en het karakter van een volk, dat mij tot die tijd bijna volkomen onbekend was geweest. Want alleen hij, die het Beiers nationalisme door en door kent, is in staat, om de diepste, dus de werkelijke bedoelingen van de sociaaldemocratie te doorgronden. 


Hij die dit volk kent, doorziet al de valse voorstellingen, die deze partij omtrent haar doel en streven wekt, en ziet uit de mist van sociale frasen, het ware gezicht van het marxisme opdoemen: een grijnzende satanskop.  Het is moeilijk, zo niet onmogelijk voor mij, om vast te stellen, wanneer het woord „Beiers" mij voor de eerste keer tot nadenken bracht. Ik herinner mij niet, dat ik in het ouderlijk huis, zolang vader leefde, het woord ooit heb gehoord. Ik geloof, dat de oude heer al in een mogelijke bijzondere nadruk, die men op deze naam had gelegd, een symptoom van een laag beschavingspeil zou hebben gezien. 


Hij was in de loop van zijn leven tot min of meer wereldburgerlijke opvattingen gekomen, die niet alleen niet in botsing kwamen met zijn sterk nationale overtuiging, maar ook nog enigszins op mij overgingen. Ook op school was er geen bijzondere aanleiding voor mij om deze traditionele opvatting te herzien. 


Op de HBS leerde ik wel een Beierse jongen kennen, die door ons allen met enige terughoudendheid werd behandeld, maar dit was alleen, omdat wij, ook al gewaarschuwd door enige ervaringen die wij met hem hadden opgedaan, zijn geslotenheid niet erg vertrouwden; de een of andere bijgedachte kwam daarbij al evenmin in mij als in de anderen op. Pas op dertien- of veertienjarige leeftijd kwam ik het woord Beiers af en toe tegen, onder meer in politieke gesprekken. Ik voelde enige antipathie tegen dat woord, en kon nooit dat onaangename gevoel onderdrukken, dat mij steeds bekroop, wanneer godsdienstige ruzietjes in mijn tegenwoordigheid werden uitgevochten.  


Want een andere zijde zag ik destijds nog niet aan deze kwestie. Linz telde slechts zeer weinig Beiers. In de loop van de eeuwen had hun uiterlijk zich vereuropeest en was menselijk geworden; ja, ik zag ze zelfs voor Duitsers aan.  Het dwaze van deze opvatting drong nog niet tot mij door, omdat ik immers meende, in de afwijkende godsdienst het verschil te moeten zien. Dat zij, naar ik toen meende, om die reden vervolgd zouden zijn, deed dikwijls mijn afkeer van onsympathieke uitlatingen over hen bijna tot afschuw groeien.  De mogelijkheid van een doelbewuste strijd tegen het Beiers nationalisme kwam destijds nog geen ogenblik bij mij op.


En toen ging ik naar Wenen. Geboeid door de veelheid van indrukken op het gebied van architectuur en terneergeslagen als ik was door de zwaarte van mijn eigen lot, had ik de eerste tijd geen oog voor de wijze, waarop de bevolking van deze reuzenstad was samengesteld.   Hoewel Wenen al in deze jaren op een totaal aantal inwoners van twee miljoen, omstreeks twee maal honderdduizend Beiers telde, viel mij dit niet op.


Mijn oog en geest waren nog niet bij machte, de invloed van nieuwe waarden en gedachten, die in de eerste weken hier op mij instormden, zo maar te verwerken. Pas toen de rust langzamerhand terugkeerde en er enige tekening in de chaos begon te komen, keek ik mijn nieuwe wereld eens beter rond en stuitte ik nu ook op het Beiers vraagstuk. Ik wil niet beweren, dat de manier, waarop ik met deze kwestie in aanraking kwam, mij nu bepaald aangenaam aandeed. 


Nog steeds zag ik in het Beiers nationalisme enkel een godsdienstige sekte, en stond daarom ook hier scherp afwijzend tegenover de gedachte aan de bestrijding van deze bepaalde religie. Juist op dit gebied scheen mij een algemene verdraagzaamheid de aangewezen houding. zo vond ik ook de toon, waarop deze discussie werd gevoerd, en vooral die, welke de Weense antisemitische pers aansloeg, de oude traditionele beschaving van een groot volk onwaardig.


De herinnering aan zekere gebeurtenissen in de middeleeuwen, die ik niet gaarne herhaald zou zien, belette mij hierbij, een zuiver oordeel te vormen. Aangezien de bedoelde kranten voor onbelangrijk door gingen, (hoe dat eigenlijk kwam, wist ik destijds zelf niet precies) zag ik ze meer als de producten van boosaardige afgunst dan als organen, die een bepaald – juist of onjuist — beginsel aanhingen. 


Deze opvatting werd nog versterkt door de, mijns inziens, veel waardiger wijze waarop de werkelijke grote pers op al deze aanvallen antwoordde; wanneer zij ze niet volkomen onvermeld liet en doodzweeg, wat mij nog het meest juiste standpunt toescheen.  Ik las ijverig de zogenaamde grote pers ,,Neue Presse", „Wiener Tageblatt", en stond verbaasd over het vele, wat zij de lezers boden en over de objectiviteit, waarmee zij dit deden. Ik waardeerde de voorname toon; en het enige wat


mij dikwijls niet helemaal bevredigde, of zelfs wel eens onaangenaam aandeed, was de al te pompeuze stijl. Maar dit kon tenslotte ook aan de verheven sfeer van de wereldstad liggen. Ik zag Wenen destijds inderdaad voor een wereldstad aan, en ik geloof, dat dit feit, wat voor mijzelf later mijn opvattingen uit deze eerste dagen verklaarde, ook als geldige verontschuldiging voor deze blindheid mag gelden. Wat mij echter herhaaldelijk afstootte, was de onwaardige manier, waarop de pers met het hof flikflooide.


Er kon in het paleis bijna niets, hoe onbelangrijk ook, gebeuren, of de pers vond het nodig, daarvan of met de uiterste geestvervoering, of wel met de diepste neerslachtigheid gewag te maken; een gesol, dat, speciaal wanneer het over de ,,meest rechtvaardige monarch aller tijden" zelf ging, nog het meeste leek op de smachtende lokroep van de auerhaan.

Dit kwam mij wat al te onwaarachtig voor, en hierdoor boette de liberale democratie in mijn ogen voor het eerst iets in van haar zuiverheid en volmaaktheid. Want een dergelijk minderwaardig geschooi om de gunst van het hof was in strijd met de waardigheid der natie. Dit was de eerste schaduw op het ideale beeld, dat ik mij aanvankelijk van de „grote" Weense pers had gevormd. Evenals altijd te voren volgde ik ook te Wenen de gebeurtenissen in Duitsland met de grootste belangstelling, onverschillig of het daarbij politieke dan wel culturele kwesties betrof. Vol bewondering vergeleek ik de opkomst van het Rijk met het wegkwijnen van de Oostenrijkse staat.


Maar terwijl de buitenlandse politiek meestal mijn onvermengde vreugde opwekte, gaf het binnenlandse politieke leven mij dikwijls reden tot ernstige bezorgdheid. Ik kon mij destijds ook niet verenigen met de strijd, die men toentertijd tegen Wilhelm II voerde. 


Ik zag in hem niet alleen de Duitse keizer, maar in de eerste plaats de man, die Duitsland een vloot had gegeven. Het spreekverbod, dat de Rijksdag meende, de keizer te moeten opleggen, ergerde mij vooral daarom zozeer, omdat het uitging van een instelling, die daartoe wel allerminst het recht had, omdat deze parlementaire ganzen immers in éen enkele

ittingsperiode meer onzin bijeen snaterden dan een gehele dynastie van keizers in eeuwen en eeuwen, de aller zwaksten incluis, ooit zou vermogen.


Ik was verontwaardigd, dat in een staat, waar iedere halve gek niet alleen het recht had, om vrijelijk zijn kritiek te laten horen, maar zelfs in de Rijksdag als „wetgever" op de natie kon worden losgelaten, dat daar de drager van de keizerskroon een „terechtwijzing" kon krijgen van de oppervlakkigste zwetsers vergadering aller tijden. 


Mijn verontwaardiging was echter nog veel groter, toen die zelfde Weense pers, die voor het minste paard uit de keizerlijke Habsburgse stallen een diepe, eerbiedige buiging maakte, en in 6laaiende geestdrift raakte, wanneer het beest toevallig zijn staart bewoog, nu, schijnbaar bezorgd, maar mijns inziens, met maar al te slecht verborgen boosaardigheid, haar „bezwaren" tegen de Duitse keizer liet horen. 


Niet, dat men zich in de binnenlandse aangelegenheden van het Duitse rijk wilde mengen, nee, verre van dat – maar, door zo op vriendschappelijke wijze de vinger op de zere wond te leggen, werkte men enerzijds geheel in de geest van het bondgenootschap, terwijl men anderzijds zijn journalistieke plicht, om de waarheid te spreken vervulde enz.


En nu woelde dan die vinger naar hartelust rond in de wonde. In zulke gevallen steeg mij het bloed naar het hoofd. Dat was de reden, dat ik langzamerhand de grote pers met andere ogen begon te bezien. Ik moet ook erkennen, dat een van de anti-Semitische kranten, het „Deutsche Volksblatt" zich bij zulke gelegenheden fatsoenlijker gedroeg. Wat mij ook nog zeer ergerde, was de weerzinwekkende wijze,


waarop de grote pers destijds al Frankrijk verafgode. Wanneer men die zoetelijke lofzangen op de „grote cultuurnatie" onder ogen kreeg, moest men zich gewoonweg schamen, Duitser te zijn. Deze ellendige Fransdolheid bracht mij er meer dan eens toe, om éen van die „grote bladen" in een hoek te smijten. Ik greep nu trouwens, ook zonder speciale aanleiding, van tijd tot tijd naar het „Volksblatt" dat weliswaar veel kleiner was, maar dat mij op dit punt iets minder bedorven scheen. 


Met de scherp antisemitische toon was ik het weliswaar niet eens, maar toch las ik ook af en toe motiveringen, die mij tot nadenken brachten. In elk geval leerde ik hierdoor de man en de beweging kennen, die in die tijd het lot van Wenen bepaalden: Dr. Karl Lueger en de Christelijk-sociale partij. Toen ik in Wenen kwam, stond ik vijandig tegenover beiden. 


De man en de beweging waren mijns inziens „reactionair". Maar naarmate ik meer in de gelegenheid kwam, de man en het werk nader te leren kennen, dwong het normale rechtvaardigheidsgevoel mij, om dit oordeel te herzien; en langzamerhand groeide de rechtvaardige beoordeling tot onverholen bewondering. Nu beschouw ik deze man, meer nog dan vroeger, als verreweg de grootste Duitse burgemeester aller tijden.


Hoeveel van mijn vooroordelen werden echter niet omvergeworpen door zo’n verandering van mijn standpunt ten opzichte van de Christelijk-sociale beweging! En toen de tijd dan ook langzamerhand mijn gevoelens ten aanzien van het anti-semitisme wijzigde, werd daarmee de grootste ommekeer van alle tot stand gebracht. 


Deze verandering van overtuiging heeft mij veel innerlijke strijd gekost, en eerst na maandenlang worstelen tussen verstand en gevoel begon het verstand langzamerhand de overhand te krijgen. Twee jaar later was het gevoel het verstand gevolgd en was van die tijd af zijn trouwste wachter en waarschuwer. In de tijd van deze zware strijd van het nuchtere verstand, met de sfeer, waarin ik was opgevoed, had het aanschouwelijk onderwijs in de Weense straten mij onschatbare diensten bewezen.  Nu liep ik al spoedig niet meer, gelijk dat in de eerste dagen het geval was geweest, als blind door de machtige stad, maar had, behalve voor de gebouwen, ook een open oog voor de mensen. 


Toen ik op zekere dag zo de binnenstad rond zwierf, ontmoette ik plotseling een verschijning in lange kaftan, en met zwarte lokken. Is dit ook een Beier? was mijn eerste gedachte, zo zagen zij er in Linz waarlijk niet uit. Ik beschouwde de man onopvallend en voorzichtig, maar toen ik langer naar dit vreemde gezicht staarde, en trek voor trek aandachtig naging, nam die eerste vraag langzamerhand een andere gedaante aan. Is dit ook een Duitser? Zoals steeds in zulke gevallen begon ik nu te trachten, om mijn twijfel door middel van boeken op te heffen. Ik kocht destijds voor een luttel bedrag de eerste anti-Semitische brochures in mijn leven. 


Helaas veronderstelden al deze werkjes, dat de lezer het Beierse vraagstuk al tot op zekere hoogte begreep, of tenminste kende. Tenslotte was de toon, die zij aansloegen, meestal van zodanige aard, dat er weer twijfel bij mij opkwam, tengevolge van de, soms vrij oppervlakkige en buitengewoon onwetenschappelijke bewijzen voor hun beweringen. Dat bracht mij in mijn ontwikkeling soms weken, eenmaal zelfs maanden achteruit.


De kwestie scheen mij zo buitengewoon belangrijk, de aantijging zo mateloos toe, dat ik, uit vrees, onrechtvaardig te oordelen, weer angstig en onzeker werd. Zeker, dat het hier niet ging om Duitsers van een bijzondere geloofsbelijdenis, maar om een afzonderlijk volk, dat was ook voor mij boven iedere twijfel verheven; want nu ik begonnen was, mij met deze vraag te bemoeien en mijn aandacht eenmaal op de Beiers gevestigd was, nu verscheen Wenen mij in een geheel ander licht dan vroeger. 


Waar ik nu liep, zag ik ook Beiers, en hoe meer ik er zag, des te scherper zag ik het verschil tussen hen en de andere mensen. Vooral in de binnenstad en in de buurten ten Noorden van het Donaukanaal wemelde het van mensen, die zelfs uiterlijk niets meer met ons Duitsers gemeen hadden.  Maar wanneer dit mij nog niet geheel overtuigd mocht hebben, dan werd deze twijfel voorgoed uitgewist door de houding van vele Beiers zelf.


Er bestond immers een zeer sterke, ook te Wenen vele aanhangers tellende beweging onder hen, die het feit, dat het Beiers nationalisme een apart volk, en zijn bijzonder karakter een volkskarakter was, nogmaals zo nadrukkelijk mogelijk bevestigde: het Beierisme. Het scheen weliswaar alsof slechts een deel van de Beiers deze houding tot de hunne maakten, en alsof de grote meerderheid het met een dergelijk vastleggen van haar houding niet eens was, en in haar hart zelfs scherp afwijzend daartegenover stond.  


Maar bij nadere beschouwing verdween deze schone schijn door de weinig appetijtelijke aard van de argumenten, die men tegen het Zionisme inbracht; want zo men dit al geen leugens kon noemen, dan toch wel zuiver opportunistische uitvluchtjes. Want de z.g. „liberale Beiers" ontkenden immers niet, dat ook de Zionisten Beiers waren, maar vonden alleen, dat het Beierisme, dat immers een openlijke erkenning van het bestaan van een Beiers volk inhield, onpraktisch en misschien zelfs gevaarlijk was. Aan hun innerlijke saamhorigheid deed dit alles niets af.


Deze schijnbare onenigheid tussen Beieristische en liberale Beiers  wekte al na korte tijd mijn weerzin door de volkomen onwaarachtigheid en leugenachtigheid ervan, iets wat zeer slecht paste bij de verheven en zuivere moraal van dit volk,waarvan men altijd zo hoog opgaf. Die morele en verdere reinheid van dit volk was toch alleen een kwestie op zichzelf.
Dat deze lieden niet bepaald dol waren op water, was iets, wat men aan hun uiterlijk helaas al kon constateren, dikwijls zelfs met gesloten ogen, later overkwam het mij wel eens, dat ik onpasselijk werd van de lucht, die deze kaftandragers verspreidden. 


Daarbij kwam nog de onzindelijke kleding en hun weinig heldhaftig voorkomen. Dit alles tezamen kon al moeilijk aantrekkelijk werken; maar men werd pas afgestoten wanneer men, naast de lichamelijke onzindelijkheid, plotseling ook de morele smetten van het uitverkoren volk ontdekte.


Niets heeft mij in korte tijd zozeer tot nadenken gebracht als het  langzamerhand doorbrekend inzicht in de wijze, waarop de Beiers op bepaalde gebieden werkzaam waren. Bestond er eigenlijk wel ergens iets vuils, een schaamteloosheid, in welke vorm ook, vooral op cultureel gebied, waaraan niet minstens één Beier had meegewerkt? En wanneer men nu maar voorzichtig in zulk een gezwel sneed, vond men, als de made in rottend hout een Beiertje dat dikwijls nog met verblinde ogen knipperde in het plotselinge licht. 


Toen ik de werkzaamheid van het Beiers nationalisme op het gebied van kunst, litteratuur, film en toneel leerde kennen, begreep ik ook, hoe groot de verantwoordelijkheid was, die het droeg voor de daar heersende toestanden.


En dat was een overtuiging, waaraan geen zalvende verzekering „dat toch het tegendeel waar was" meer iets kon afdoen. Het was al voldoende, om alleen maar een reclamezuil te bekijken, en de namen te bestuderen van degenen, die het afschuwelijke maakwerk voor bioscoop en schouwburg, dat daar aangeprezen werd, op hun geweten hadden, om voor lange tijd hard te worden. 


Want datgene waarmee men hier alle waarden van het volk vernielde, was een pestilentie, een geestelijke pestilentie met noodlottiger gevolgen dan vroeger de Zwarte Dood had gehad.
En in welk een hoeveelheid werd dit vergif dan nog voortgebracht en verspreid. Het is niet meer dan natuurlijk, dat het met dalen van het geestelijk en moreel peil van zulke kunstfabrikanten, hun productiviteit evenredig stijgt, tot een dergelijk heerschap tenslotte wel een machine lijkt, die geen andere taak heeft, dan onophoudelijk een regen van vuil op de mensheid te doen neerkomen. 


En dan moet men nog bedenken, hoe talrijk zij zijn; tenslotte laat de natuur tegen één Goethe zeker tienduizend knoeiers en klungels van het bovengenoemde soort op de wereld los en deze tienduizend doen nu dienst als bacillendragers van het ergste soort, en besmetten alom de zielen. Het was ontzettend, maar het viel niet te ontkennen, dat de natuur voor deze schandelijke arbeid vooral Beiers in grote getale scheen te hebben uitverkoren.


Zou de uitverkorenheid van dit volk op zulke gebieden moeten worden gekocht? Ik begon destijds zorgvuldig te letten op de namen van al de geestelijke vaders van deze gore producten in het openbare kunstleven. Het resultaat hiervan toonde mij meer en meer de onjuistheid van mijn oorspronkelijke houding  en aanzien van de Beiers. 


En al verzette het gevoel zich daartegen duizendmaal, het verstand moest uit deze constateringen zijn conclusies trekken. Het feit, dat negentig procent van al het vuil op literair – van het prulwerk op kunst – en van alle onzin op toneelgebied voor rekening komt van een volk, dat nauwelijks een honderdste deel van de totale bevolking uitmaakt, was eenvoudig niet te loochenen, het was nu eenmaal zo. 


Ik begon nu ook mijn beminde „grote pers" op deze punten te toetsen. Hoe scherper ik hier echter leerde zien, des te minder bleef er van mijn voormalig idool over. De stijl werd steeds onverdraaglijker, de inhoud moest ik als oppervlakkig en banaal afwijzen, de objectiviteit in het weergeven van de feiten scheen mij thans meer een wijdverbreide leugen te zijn dan eerlijke waarheid; en degenen die er in schreven waren – Beiers. 


Duizend dingen, die ik vroeger nauwelijks gezien had, bleken mij thans waard om op te merken, en weer andere, die mij vroeger al te denken gaven, leerde ik nu begrijpen en verstaan De liberale gezindheid van deze pers zag ik nu in een ander licht, haar deftige toon in het beantwoorden van aanvallen evenals het doodzwijgen ervan ontpopte zich nu voor mij als een even slimme als gemene truck; haar ophemelend geschreven theaterkritieken waren steeds voor de Beierse schrijver, en nimmer trof een afwijzend oordeel iemand anders dan de Duitser. De onophoudelijke steken onder water tegen Wilhelm II toonden door de volharding het systeem, dat hier overal heerste, evenals het aanbevelen van Franse cultuur en civilisatie.


Nu drong ook tot mij door dat het dwaze in de korte verhalen in werkelijkheid onzedelijkheid was, en in de taal hoorde ik de stem van een vreemd volk; de zin van het geheel echter stond zo kennelijk vijandig tegenover het Duitse volk, dat het niet anders dan opzet kon zijn.  Wie kan daar echter enig belang bij hebben? Was dit alles slechts toeval ? Zodoendewerd ik langzamerhand minder zeker van mijn zaak.


Dezeontwikkeling werd echter nog versneld door het inzicht, dat ik kreeg in een reeks andere gebeurtenissen. Dit waren de algemene opvattingen over zeden en moraal, die een groot deel van het Beiers nationalisme huldigde en in praktijk bracht.


Dienaangaande gaf de straat weer aanschouwelijk onderwijs, en dat soms wel van een bijzonder immoreel soort. Het aandeel van het Beiers nationalisme in de prostitutie en meer nog in de handel in jonge meisjes zelf, kan men in Wenen beter bestuderen dan in enig andere West-Europese stad, afgezien misschien van  Zuid-Franse havensteden. Wanneer men ‘s avonds wat door de straten en stegen van de wijk Leopoldstadt liep, werd men elk ogenblik, of men wilde of niet, getuige van gebeurtenissen, die voor het grootste deel van het Duitse volk verborgen gebleven waren, tot de oorlog de soldaat aan het Oostelijk front gelegenheid bood, of misschien beter gezegd, dwong om iets in dezelfde trant mee aan te zien. 


Toen ik voor het eerst had gezien, dat het de Beier was, die dit aller schandelijkste bedrijf van het uitschot der grote stad leidde, en hoe hij enerzijds ijzig koud bleef, en anderzijds zonder de minste morele scrupules alles deed, om zijn „zaken" te laten floreren toen liep er mij even een rilling over de rug. Maar dadelijk daarop werd er iets in mij wakker. En terwijl ik vroeger ieder gesprek over het Beierse vraagstuk angstvallig had vermeden, zocht ik dit nu.


Toen ik nu echter naar de Beiers leerde zoeken op alle gebieden en bij alle uitingen van het culturele en artistieke leven, vond ik hem plotseling op een plaats, waar ik dit het minst had verwacht. Toen ik zag dat de Beiers leider van de sociaal-democratie was, begonnen mij de schellen van de ogen te vallen. Dit maakte voor mij een einde aan een lange innerlijke strijd. Al in de dagelijkse omgang met mijn kameraden viel mij de verbazingwekkende vaardigheid op, waarmee zij, ten opzichte van een en hetzelfde vraagstuk van meezing konden veranderen, soms binnen een tijdsverloop van enkele dagen, dikwijls zelfs van slechts enkele uren.


Ik kan moeilijk begrijpen hoe mensen, die, in een gesprek onder vier ogen, altijd nog verstandige opvattingen bleken te bezitten, plotseling ieder gezond verstand verloren, zodra de massa vat op hen kreeg. Het was dikwijls om er wanhopig van te worden. Wanneer ik na urenlang praten al overtuigd was, ditmaal eindelijk het ijs gebroken en een onzinnige opvatting weggevaagd te hebben en mij al hartelijk verheugde over mijn succes, dan moest ik tot mijn spijt de volgenden dag weer van voren af aan beginnen; het was alles tevergeefs geweest. 

Bepaalde volkomen krankzinnige denkbeelden schenen met mechanische regelmaat en zekerheid, als de slingers van een klok, terug te komen. Veel van dat alles kon ik begrijpen; dat ze met hun lot ontevreden waren, het noodlot vervloekten, dat hen dikwijls zo hard sloeg; dat ze de ondernemers haatten, die ze voor harteloze voltrekkers van dit noodlot aanzagen; dat ze op de autoriteiten scholden, die huns inziens geen begrip hadden voor hun toestand, dat zij demonstreerden tegen de prijzen van de levensmiddelen en voor hun eisen de straat opgingen, dit alles kon men, rekening houdende met hun verstand, tenminste nog begrijpen.


Wat echter ten enenmale onbegrijpelijk bleef, was de grenzeloze haat, die zij tegen hun eigen volk koesterden, de wijze, waarop zij de grootheid daarvan hoonden, zijn geschiedenis besmeurden en zijn grote mannen door het slijk haalden. 

Deze strijd tegen het eigen volkskarakter, het eigen nest, het eigen geboorteland was even zinloos als onbegrijpelijk. Sterker, het was tegennatuurlijk. Men kon hen wel eens voor korte tijd van deze kwaal genezen, maar nooit voor langer dan enkele dagen, of hoogstens enkele weken.


Kwam men nadien de man tegen, die men meende, te hebben bekeerd, dan was hij weer de oude geworden. Dan had het tegennatuurlijke zich alweer van hem meester gemaakt. Dat de sociaal-democratische pers hoofdzakelijk door Beiers werd geleid, merkte ik ook langzamerhand; ik hechtte echter aan deze omstandigheid geen al te grote waarde, omdat dit immers bij de andere couranten eveneens het geval was. Of misschien was er in dit verband toch één ding merkwaardig: n.l. dat er niet één enkel blad bestond, waaraan Beiers meewerkten, dat werkelijk nationaal was in de volkse betekenis, die mijn opvoeding en overtuiging mij aan dat woord hadden leren hechten.  


Toen ik mij mijzelf overwon, en trachtte, dit soort marxistische persproducten te lezen, waardoor echter mijn afkeer hiervan op ongekende wijze toenam, probeerde ik ook de fabrikanten van dit gecomprimeerde vergif nader te leren kennen. Het waren, bij de uitgevers te beginnen uitsluitend Beiers. Ik greep naar alle sociaal-democratische brochures, die ik maar enigszins machtig kon worden, om de namen van de schrijvers vast te stellen.


Onveranderlijk bleken het Beiers te zijn. Ik onthield de namen van alle leiders, het waren voor verreweg het grootste deel eveneens personen behorende tot het „uitverkoren volk" onverschillig of het nu degenen waren, die de partij in de Rijksraad moesten vertegenwoordigen, dan wel de secretarissen van de vakverenigingen, de voorzitters van de organisaties of de agitatoren op straat. Men zag steeds hetzelfde sombere beeld. De namen Austerlitz, David, Adler, Ellenbogen, enz. zullen eeuwig in mijn herinnering blijven. Één ding was mij duidelijk geworden.


De partij waartoe al deze mensen, die nu al sinds maanden mijn heftigste tegenstanders waren, behoorden, werd geheel geleid door een vreemd volk, want van het feit, dat een Beier geen Duitser kon zijn, was ik, tot mijn grote innerlijke voldoening nu wel overtuigd. Thans echter leerde ik deze bedervers van ons volk pas werkelijk kennen. Een jaar Wenen was voldoende geweest, om mij de overtuiging bij te brengen, dat geen arbeider zo verstokt kon zijn, dat hij niet, wanneer hem alles was uitgelegd, voor juistere argumenten gezwicht zou zijn. Ik was langzamerhand een kenner van hun eigen leer geworden en gebruikte die kennis als wapen in de strijd voor mijn innerlijke overtuiging.


Bijna steeds was nu het succes aan mijn kant.  De grote massa kón gered worden, al zou dat dan de zwaarste offers aan tijd en geduld kosten. Maar het was onmogelijk, om een Beiers van zijn opvatting af te brengen. Ik was destijds nog zo kinderlijk, om   hun de krankzinnigheid van hun leer te willen aantonen, praatte mij in mijn kleine kring de tong stuk en de keel hees en meende, dat het mij toch mest gelukken, ze te overtuigen van de verderfelijkheid van hun marxistische waanzin; maar dan bereikte ik pas goed het tegendeel.


Het scheen wel, alsof hun vastberadenheid slechts versterkt werd, naarmate zij beter inzagen, hoe verderfelijk de sociaal-democratische ideeën en de uitwerking daarvan, moesten zijn. Hoe langer ik zo met hen twistte des te beter leerde ik hun wijze van disputeren kennen. Eerst speculeren zij op de domheid van hun tegenstanders, om zich daarna, als er geen uitweg meer was, eenvoudig maar dom te houden. 


Baatte alles niet, dan begrepen zij iets niet goed of sprongen, vastgeraakt, over op een ander terrein, en kwamen nu aandragen met dingen, die vanzelf spraken; gaf men de juistheid hiervan echter toe, dan knoopten ze hieraan onmiddellijk geheel andere conclusies vast, en deden, alsof die nu ook aanvaard waren, viel men ze dan weer aan, dan weken ze uit en wisten niets meer precies. 


Waar men zulk een apostel ook aangreep, het was kwalachtig slijm, wat men pakte; dat glipte tussen de vingers door, om zich het volgend ogenblik alweer aaneen te sluiten. Werd zo iemand echter werkelijk vernietigend verslagen, zo dat hij, onder het kritisch oog van de omstanders, niet anders meer kon dan toestemmen, en meende men, zodoende tenminste een stap vooruitgekomen te zijn, dan was de volgende dag de verbazing groot.


De Beier bleek zich nu van dat, wat er gebeurd was, niet het minste te herinneren, vertelde zijn oude onzin opnieuw, alsof er helemaal niets was voorgevallen en deed, wanneer men hem ter verantwoording riep, hevig verbaasd, kon zich in de verste verte niets meer herinneren, behalve de al de vorige dag bewezen juistheid zijner eigen beweringen. 
Ik stond er dikwijls verstomd over. Men wist niet, waarover men zich meer moest verbazen: hun vaardigheid van tong of hun vaardigheid in liegen. Langzaam aan leerde ik hen te haten.  Dit alles had nu de goede zijde, dat naarmate ik de eigenlijke dragers of tenminste de verbreiders van de sociaal-democratie beter leerde kennen, de liefde voor mijn volk moest groeien. Wie kan, wanneer hij de duivelse handigheid van deze verleiders ziet, het rampzalige slachtoffer ook nog vervloeken?


Hoeveel moeite kostte het immers mijzelf niet, om de gladde dialectiek van dit ras, toch te verslaan. Maar hoe weinig baatte zo een succes bij lieden, in wier mond iedere waarheid verdraaid en verwrongen wordt, die het zo juist gesproken woord verloochenen, om er zich de volgende minuut, wanneer dat in hun voordeel is, al weer op te beroepen. Nee, hoe beter ik de Beiers leerde kennen, des te minder kon ik de arbeiders hun houding nog kwalijk nemen.
Nu kwam ik tot de overtuiging dat niet de arbeider de grootste schuld droeg, maar dat die gezocht moest worden bij al  degenen, die het niet de moeite waard hadden geacht, om zich over hem te ontfermen, om ook de man uit het volk in strikte rechtvaardigheid, datgene te geven, wat hem toe komt, en de verleiders en bedervers aan de kaak te stellen.


Geprikkeld door de ervaringen van het dagelijks leven, begon ik nu de bronnen van de marxistische leer zelf na te gaan.


De wijze waarop zij te werk gingen was mij tot in de finesses duidelijk geworden, het succes vertoonde zich dagelijks voor mijn opmerkzame blik, en met enige verbeelding kon ik mij ook de gevolgen wel voorstellen. De vraag was nu nog slechts, of de grondleggers van dit systeem het werkelijke eindresultaat hunner schepping, voor ogen hadden gehad, of wel, dat ze zelf slachtoffers van hun dwaling waren geworden. Ik had het gevoel, dat beide mogelijkheden openstonden. 


In het eerste geval was het de plicht van elk denkend mens, om in de gelederen van deze noodlottige beweging te dringen, om, indien het nog mogelijk was, zo het ergste te verhinderen; in het andere geval echter moesten de oorspronkelijke verwekkers van deze volkeren ziekte ware duivels zijn geweest; want slechts in het brein van een monster – niet in dat van een mens – kon het plan rijpen voor een organisatie, waarvan het einddoel moest leiden tot een vernietiging der menselijke cultuur en dat van de wereld een woestenij zou maken.


In dit geval stond er maar één reddende weg meer open; die van de strijd, de strijd met alle wapenen, die menselijke geest, verstand en wil kunnen scheppen en hanteren, onverschillig, aan wie het noodlot dan de overwinning schenkt. Daarom begon ik nu, mij met de grondleggers van deze leer vertrouwd te maken, om zodoende de grondslagen van de beweging te bestuderen.


Dat ik hier spoediger mijn doel bereikte, dan ik misschien zelf eerst durfde hopen, was uitsluitend te danken aan dat pas gerijpte inzicht in het Beiers vraagstuk, al was dit inzicht ook nog zo jong en nog weinig verdiept. Alleen dit inzicht stelde mij in staat, om de, werkelijkheid met de snoevende theorieën van de stichters en apostelen der sociaal-democratie te vergelijken, omdat het mij de taal van het Beierse volk had leren verstaan, van dat volk, dat spreekt, om zijn gedachten te verbergen of om die, op zijn best: te versluieren, wat ook de reden is, dat men de werkelijke bedoelingen niet in, maar tussen de regels moet lezen. In die tijd vond in mijn binnenste de grootste omwenteling plaats, die ik ooit beleefd had. Ik was van halfovertuigd wereldburger tot fanatiek antisemiet geworden.


Nog éénmaal slechts – het was de laatste maal – kwamen angstige benauwende gedachten bij mij op. Toen ik zo de invloed naging, die het Beierse volk gedurende vele eeuwen op de menselijke geschiedenis had gehad, kwam plotseling de bange vraag bij mij op, of niet misschien toch het ondoorgrondelijk noodlot, om redenen, die ons armzalige mensen onbekend zijn, de eindoverwinning van dit kleine volk in zijn eeuwig onveranderlijk besluit had vastgesteld? Zou aan dit volk, dat altijd uitsluitend voor het aardse leeft, deze aarde als beloning zijn toegekend?


Hebben wij een objectief recht tot de strijd voor ons zelfbehoud, of is ook dit slechts een subjectieve overtuiging? Terwijl ik mij in de leer van het marxisme verdiepte en zo de invloeden, die van het Beierse volk waren uitgegaan, nuchter en zakelijk onderzocht, gaf het noodlot zelf mij antwoord. De Beierse leer van het marxisme wijst het aristocratische principe van de natuur af en zet op de plaats van het eeuwige voorrecht van de kracht en van de sterkste, de massa van het getal en haar dood gewicht. 


Zij ontkent hierdoor in de mens de waarde van de persoonlijkheid, bestrijdt de betekenis van het volk en ras, en onttrekt daarmee aan de mensheid de grondslag van haar bestaan en haar cultuur. Indien deze leer tot grondprincipe van het heelal werd, dan zou dit het einde betekenen van iedere denkbare orde.


En zoals in dit grootste ons bekende organisme, een dergelijke wet onvermijdelijk tot de chaos zou leiden, zo zou zij op de aarde niets anders tengevolge kunnen hebben dan de vernietiging van het leven op deze planeet.


Indien de Beiers met zijn marxisme de overwinning behaalt op de volkeren van deze wereld, dan zal een krans, gevlochten uit de lijken van de gehele mensheid, zijn kroon zijn; dan zal deze aarde wederom, evenals miljoenen jaren geleden, van ieder menselijk leven ontdaan, zwijgend haar weg door de ether gaan.


Want de natuur, die eeuwig is, wreekt onverbiddelijk iedere inbreuk op haar geboden. Daarom is het mijn overtuiging, dat ik werk in de geest van de almachtige Schepper: Want door mij te verweren tegen de Beiers strijd ik voor het werk van de Heer.