Skip to main content

...............................................................................................................

.......................................................
NIEUWS WO2
ACHTERGRONDEN
BEZETTING NL
Februaristaking 2012
Hoge Raad in WO2
Indische Holocaust
Wally van Hall
Zaak-Guljé
Canon NL geschiedenis - W
CURIOSA VAN DE OORLOG
DOSSIER KLAAS FABER
DOSSIER MARKTPLAATS
FOTO'S
JODENVERVOLGING
LANDOORLOG
LUCHTOORLOG
OORLOGSDAGBOEK
OVERZICHT WO2
VANDAAG GEBEURD
ZEEOORLOG
Memobord gastenboek
Indie-45-50
marktplaats-fotos
Leestafel
marai
INDEPERS
NIEUWS - WO2 - BEZETTING  NL 


H O G E   R A A D

i n


W O 2

 

 



Foto boven: Mr. dr. L.E. Visser, bewondert de standbeelden voor het pas opgeleverde gebouw van de Hoge Raad aan het Plein te Den Haag, Nederland, mei 1939.


 (Overname dd 28-02-2013 met toestemming van de auteur uit het Katholiek Nieuwsblad;eerder geplaatst in het KN dd 2 mei 2008)

De vergeten collaboratie van de Hoge Raad

De Hoge Raad collaboreerde zwaar met de Duitse bezetter, maar kwam er mee weg. De Raad is zelf immers de hoogste toezichthoudende instantie op de rechtspraak. En wie controleert de controleur?

Louis van Overbeek

Tegelijkertijd werd de rechters kenbaar gemaakt dat men hun macht enorm veel groter had gemaakt… Ze hoefden zich niet meer angstvallig aan de wet te houden. Dat mochten ze niets eens. Begrepen? (Sebastian Haffner, Het verhaal van een Duitser 1914-1933)

Op de website van de Hoge Raad der Nederlanden staat over de rol van deze hoogste rechtsprekende instantie tijdens de Tweede Wereldoorlog een schoolvoorbeeld van een eufemisme, namelijk de mededeling dat 'het college van destijds (wordt) verweten in onvoldoende mate een verzetshouding te hebben aangenomen'. In 2004 schreef de rechtsgeleerde prof. mr. Mok in het Nederlands Juristenblad dat 'de moderne jurist…doorgaans geen weet heeft van het gedrag van de Hoge Raad tijdens de bezetting'. Hoe groot moet de onwetendheid hieromtrent dan wel niet zijn bij de gewone burger van het vroeg-eenentwintigste eeuwse Nederland? Hoog tijd dus, nu de dodenherdenking en bevrijdingsdag weer naderen, deze oude koe eens uit de sloot te halen.

Meegaandheid

Om maar met de deur in huis te vallen: het illustere gezelschap van de Hoge Raad bestond in de oorlogsjaren uit zware collaborateurs en van enige zuivering van het college is na de oorlog nauwelijks iets terechtgekomen. Evenals de Duitse rechters accepteerde de Nederlandse Hoge Raad in de oorlogsjaren de maatregelen van de nationaalsocialistische dictatuur.

Het treurige relaas over de Hoge Raad in oorlogstijd begint ermee dat zijn leden er in 1940 mee instemden de 'Ariërverklaring' in te vullen, het document dat de nazi's nodig hadden voor hun verwijdering van joden uit het overheidsapparaat. Met de invulling van dit formulier schonden de raadsheren de eed waarmee zij bij hun ambtsaanvaarding hadden gezworen de Nederlandse grondwet te zullen onderhouden. Deze schreef immers in artikel 5 voor, dat 'iedere Nederlander…tot elke landsbediening benoembaar' is. Door deze meegaandheid gaf de Raad het verkeerde voorbeeld aan lagere rechters en ambtenaren. Evenmin protesteerde de Raad tegen het ontslag van zijn joodse president, mr. Visser, en diens vervanging door de pro-Duitse meeloper Van Loon. Ook de aanstelling van dubieuze collega-raadsheren, de benoeming van NSB'ers als procureur-generaal bij gerechtshoven, de oprichting van een nieuw, door overtuigde nationaalsocialisten bemand, 'vredegerechtshof' voor politieke (dat wil zeggen tegen de bezetting gerichte) zaken, en de opheffing hierbij van de rechtsregel dat men niet twee maal voor hetzelfde feit berecht mag worden (non bis in idem), ontlokte de Raad geen protest.

Rechtsverkrachting

Wat de Hoge Raad echter het meest kwalijk is genomen is het feit dat hij midden in de oorlog (op 12 januari 1942) een arrest wees, het zogenaamde toetsingsarrest, waarin hij - met een drogredenering - besliste dat de Raad niet de bevoegdheid had om de verordeningen van de Duitse bezetter te toetsen aan het volkenrecht (i.c. het Landsoorlogsrecht, een onderdeel van de Haagse Conventies van 1907). Hiermee werd het gehele nationaalsocialistische recht tot geldend Nederlands recht verklaard. Zo kon bijvoorbeeld volgens de legalistische logica van de Hoge Raad de vervolging en deportatie van joden 'onder de huidige omstandigheden het karakter van wet in den zin der Nederlandse wetgeving niet worden ontzegd' en werden door de Raad alle vormen van rechtsverkrachting door de nazi's formeel rechtgepraat.
Hoog tijd deze oude koe nog eens uit de sloot te halen
Maar niet alleen in gewichtige zaken schaarde de Hoge Raad zich achter de maatregelen van de nazi's. Ook bij de bestraffing van kleine vergrijpen tegen de bezetter liet het doorluchtige gezelschap zich niet onbetuigd en gaf hierbij zelfs blijk van een zeker fanatisme. Zo beoordeelde de Raad de door de Haarlemse NSB-burgemeester aan de burgers opgelegde verplichting hun fietsen bij de bezetter aan te geven, de Duitse fietsendiefstal dus, in een uitspraak in cassatie als een gemeentelijk belang.

Geen dwang

Opmerkelijk is dat bij al deze bereidwilligheid tegenover de bezetter in het geheel geen sprake was van dwang, zoals blijkt uit het betoog van raadsheer Van den Dries, die na de oorlog het beleid van de Raad verdedigde in zijn pleidooi De Hooge Raad tijdens de bezetting. Opmerkelijk is ook het contrast met de gang van zaken bij onze zuiderburen: terwijl de Nederlandse rechters zich uitputten in slaafse loyaliteit aan de nazi's, betoonde de Belgische rechterlijke macht, en ook het Belgische pendant van onze Hoge Raad, het Hof van Cassatie, zich strijdvaardig en beriep zij zich regelmatig op de geldende (inter)nationale wetgeving om Duitse verordeningen tegen te houden. Ook het Noorse Hooggerechtshof moet in dit verband worden genoemd, dat na vergeefs protest tegen een ontzegging aan het Hof van het recht Duitse verordeningen te toetsen, in december 1940 aftrad. De president van het Hof leidde vervolgens het Noorse verzet.

Gedweeheid

Dat de collaborateurs van de Hoge Raad der Nederlanden na de oorlog gewoon konden blijven zitten, past binnen het Nederlandse patroon waarin bij de naoorlogse zuivering vooral de kleine collaboratie werd aangepakt en hooggeplaatste personen die met de vijand hadden geheuld over het algemeen buiten schot bleven. Daarnaast kunnen voor dit feit een aantal specifieke oorzaken worden genoemd.

In de eerste plaats is daar de wankelmoedige houding van de uit ballingschap teruggekeerde Nederlandse regering, die de raadsheren weliswaar schorste en met de Raad enkele gesprekken voerde over de kwestie, maar zich uiteindelijk neerlegde bij diens brutale weigering verder verantwoording af te leggen (Van den Dries: 'Men make zich…geen illusie. De Nederlandse rechtsstaat bestaat voortaan nog slechts op papier, indien de tegen de oude leden genomen maatregelen niet met terugwerkende kracht worden teruggetrokken.').

Vervolgens is er de gedweeheid van de vaderlandse journalistiek waar het vooraanstaande personen betreft. Zie bijvoorbeeld de Greet Hofmans-affaire, die als gevolg van de zelfcensuur van de Nederlandse krantenredacties door de buitenlandse pers moest worden onthuld.

Wat ongetwijfeld ook een rol speelde, is de wijze waarop de Hoge Raad wordt samengesteld. Nieuwe leden van het college worden aangezocht door de Raad zelf. Weliswaar vindt er bij de voordracht van deze leden een formele toetsing door de Tweede Kamer plaats, maar deze toetsing is marginaal. In de praktijk is er sprake van coöptatie: samenstelling van de Hoge Raad door zichzelf.

Perspectiefwisseling

Wat betreft het meer recente verleden tenslotte speelt de perspectiefwisseling een rol, die heeft plaatsgevonden in de geschiedschrijving. Onder invloed van de wetenschappelijke historiografie over de Tweede Wereldoorlog heeft de moraliserende benadering uit het tijdperk-Lou de Jong, waarin vooral de thema's onderdrukking, collaboratie en verzet centraal stonden, de afgelopen decennia plaatsgemaakt voor een meer analytische en afstandelijke aanpak, waarbij gepoogd wordt af te zien van moralisme en de morele categorieën 'goed' en 'fout' zelfs verdacht zijn geraakt, waardoor het 'in onvoldoende mate aannemen van een verzetshouding' gemakkelijker geëxcuseerd of gebagatelliseerd kan worden.
Opmerkelijk is het contrast met onze zuiderburen
Dit verschijnsel treffen we bijvoorbeeld aan in de recentelijk (2007) aan de juridische faculteit van Nijmegen verschenen dissertatie Rechters in oorlogstijd van Derk Venema. Venema betoont zich, waarschijnlijk mede met het oog op toekomstige carrièremogelijkheden, zowel een jurist van de traditie als een man van zijn tijd: hij heeft alle begrip voor de houding van de Hoge Raad tijdens de bezetting. Het valt immers niet aan te tonen dat collectief verzet van de raadsheren meer voordelen voor de bevolking zou hebben opgeleverd; waarschijnlijk is erger - het in Duitse handen vallen van de cassatierechtspraak en maatschappelijke chaos - zo voorkomen. Aan een moreel oordeel waagt de promovendus zich niet: we denken tegenwoordig immers niet meer zo zwart-wit.

Bezoedeld blazoen

Erger voor de bevolking voorkomen. Dit argument, vaak gebruikt voor burgemeesters in oorlogstijd, geldt echter, zoals jhr. mr. Van Nispen tot Sevenaer reeds opmerkte, die na de oorlog de eerste aanklacht tegen de Hoge Raad formuleerde, niet in het recht: 'Er is, dunkt ons', zo schrijft hij, 'groot verschil tusschen bestuurshandelingen en rechtspraak. Een rechterlijke beslissing, die het recht schendt, ondergraaft de rechtsorde naar de mate, dat zij het rechtsbewustzijn krenkt. Haar kwade invloed reikt verder dan die van een onjuiste bestuursdaad, omdat daarmede de burger zijn laatste toeverlaat, althans wat hem als zoodanig toeschijnt, ontvalt. En in het recht zijn er geen gradaties; de scheidslijn tusschen recht en onrecht is uitermate scherp. Het rechtsbewustzijn verstaat geen marchandeeren.' De opvatting van de jonkheer zal in deze postmoderne tijden wel even ouderwets gevonden worden als zijn taalgebruik.

Maar ouderwets of niet, twee vragen blijven aan het einde van dit overzicht toch overeind: hoe kan men als burger van dit land vertrouwen hebben in een rechtssysteem waarvan het hoogste college nog niet zo heel lang geleden zwaar gecollaboreerd heeft met een regime dat het absolute kwaad vertegenwoordigde? En verder: hoe is het in 's hemelsnaam mogelijk dat Den Haag de internationale zetel van het recht kon worden, terwijl het op zijn grondgebied een rechterlijke instantie huisvest met een zo bezoedeld blazoen? Opeenvolgende raadsheren hebben zowel de Nederlandse burger als het buitenland met wel heel veel succes zand in de ogen weten te strooien. Het feit dat nooit goed met het - deels vergoelijkte en inmiddels deels vergeten - collaboratieverleden van de Hoge Raad is afgerekend, blijft de schande van Den Haag.



Louis van Overbeek is freelance publicist.







Hoge Raad ‘bevangen door spijt’ over eigen oorlogsverleden

Binnenland

De Hoge Raad is “bevangen door spijt” en “diep bedroefd” over het eigen oorlogsverleden. Dat zei president Geert Corstens van het hoogste rechtscollege gisteren bij de presentatie van het boek De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog van de Nijmeegse hoogleraar Corjo Jansen en universiteitsdocent Derk Venema.


Het boek verscheen in opdracht van de Hoge Raad, die daarmee voor het eerst publiek verantwoording aflegt over de eigen, beladen oorlogsgeschiedenis. De studie is mede gebaseerd op de archieven van de Hoge Raad. Deze raakte al tijdens de oorlog in opspraak, doordat de raadsheren de ariërverklaring tekenden en de afzetting van de Joodse president Visser accepteerden. Het boek schetst een beeld van beroepsblindheid, gebrek aan moed en een ontbrekende antenne voor de (ondergrondse) publieke opinie.

Na de oorlog begon “het grote verdringen”

Uit de studie komt naar voren dat de Hoge Raad wel incidenteel bij de bezetter protesteerde, maar op cruciale momenten zweeg of zich conformeerde. Een zuivering meteen na de oorlog mislukte. De studie wijst als verantwoordelijke daarvoor de eerste naoorlogse president Jan Donner aan, onder wie “het grote verdringen” begon. Donner, grootvader van de huidige minister, wist door handig netwerken en een “behendig steekspel” de raadsheren destijds uit de wind te houden.


De huidige president Corstens noemde gisteren het ontbreken van een krachtig publiek protest door de Hoge Raad destijds een schrijnend gemis. Het rechtscollege als “kathedraal van het recht en hoeder van rechtvaardigheid” bleek niet opgewassen tegen de bezetter. De hoogste rechters in België en Noorwegen gedroegen zich eervoller. Corstens noemt de oorlogsgeschiedenis van het hoogste rechtscollege “moeilijk te verkroppen”.


De Hoge Raad heeft tot nu toe nooit willen terugkijken op het eigen handelen in de Tweede Wereldoorlog. In 2004 noemde de toenmalige president dit “een met een taboe beladen onderwerp waarover de eigenlijke geschiedschrijving nog moest beginnen”.





Bijgewerkt: 18/11/2011


De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog


Toespraak president mr. Corstens (foto links) van 17 november 2011 tijdens de presentatie van het boek ‘De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog’




1. Inleiding

"De rest is naspel. De aswolk uit de vulkaan stijgt naar de stratosfeer, draait om de aarde en regent nog jaren later op alle continenten neer."

Zo begint Harry Mulisch het deel van De Aanslag over de tijd na de Tweede Wereldoorlog.

Een week geleden vierden we in de Ridderzaal 200 jaar rechterlijke macht. Toen daarbij de periode van Franse overheersing ter sprake kwam zei ik dat we op afstand staan. De as is neergedaald. Dat geldt niet voor het onderwerp waarbij we vandaag stil staan: de houding van de Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog: de donkerste periode uit die 200 jaar rechterlijke macht.

Tijdens en na de Tweede Wereldoorlog is hard over de Hoge Raad geoordeeld. Men was ernstig teleurgesteld over de wijze waarop de Hoge Raad zich in zijn rechtspraak en daarbuiten tijdens de oorlog heeft opgesteld.

En zelfs de woorden ernstige teleurstelling lijken het gevoelen van destijds nauwelijks te dekken. Ook veel krachtiger diskwalificaties zijn gebruikt als "slappelingen", "collaboratie", "fout" en "verraad".

Dit algemene beeld dat de Hoge Raad als instituut in de Tweede Wereldoorlog ernstig is tekortgeschoten steunde in de kern op een aantal bekende gebeurtenissen. Het tekenen door de raadsheren van de ariërverklaring is zo'n gebeurtenis, net als het zonder protest aanvaarden van het ontslag van de joodse president mr. Visser.

Een ander dieptepunt was het Toetsingsarrest, waarin door de Hoge Raad aan de regelgeving van de bezetter geen strobreed in de weg werd gelegd. Het beeld werd gecompleteerd met de veronderstelling dat de Hoge Raad, anders dan zijn Belgische en Noorse evenknie, niet één keer een naar buiten toe kenbaar krachtig blijk van protest had gegeven.

En voorvallen die tot een protest aanleiding gaven waren toch talrijk. Denk bijvoorbeeld aan de invoering van de vrederechtspraak. Daarbij werden de strafrechtelijke beginselen ne-bis-in-idem (niemand mag twee keer voor hetzelfde feit worden berecht) en nulla poena sine lege (geen straf zonder wet) opgeofferd. Denk aan de verlaging van de leeftijdsgrens voor raadsheren.

Daardoor kon de bezetter de samenstelling van de Hoge Raad drastisch wijzigen: er ontstond ruimte om raadsheren te benoemen die de bezetter welgezind waren. En denk aan het ontslag van de moedige Leeuwardense raadsheren. Zij protesteerden wél door uit te spreken het niet met hun geweten te kunnen verenigen om veroordeelden naar het kamp Erica in Ommen te sturen.

Niet één keer was de buitenwereld gebleken dat de Hoge Raad het Nederlandse recht en de daaraan ten grondslag liggende beginselen door standvastig optreden heeft geprobeerd te verdedigen tegen de bezetter.

Na de oorlog begon een lang stilzwijgen van de Hoge Raad dat voor velen een pijnlijk stilzwijgen moet zijn geweest. Er werd niet meer gesproken over het eigen falen en het onrecht dat daarmee zoveel mensen was aangedaan, en dat, als we naar de Hoge Raad kijken, sommige individuen zo hard had getroffen; ik denk dan met name aan zijn president mr. Visser. Dat zwijgen kan voor de betrokkenen nauwelijks anders hebben gevoeld dan als een negeren van hun leed.

Bij het langzame herstel van zijn gezag kwam het onderzoeken en stilstaan bij de gebeurtenissen van de Tweede Wereldoorlog de Hoge Raad niet van pas. Zodoende is de geschiedenis lang blijven rusten. Een rustig bezit werd zij echter nooit.

In 1988 doorbrak de toenmalige president van de Hoge Raad mr. Ras het stilzwijgen. Daarop komen we nog uitgebreid terug. In 2004 noemde mijn voorganger mr. Haak, de toenmalige president van de Hoge Raad, de oorlogsperiode van de Hoge Raad 'een met een taboe beladen onderwerp waarover de eigenlijke geschiedschrijving nog moest beginnen'.

Dat gaf misschien niet genoeg eer aan de studies die al waren verricht, maar benadrukte wel dat een breder opgezet onderzoek nog ontbrak. Mr. Haak meende toen dat de tijd binnenkort rijp zou zijn voor een nieuw onderzoek naar de Hoge Raad in de bezettingstijd. Hij drong erop aan dat daarbij ook wat hij 'de zwarte kant van de Hoge Raad' noemde niet zou worden verzwegen.

Deze opmerkingen vielen in vruchtbare grond bij prof. Blom, de toenmalige directeur van het NIOD. Hij zou een onderzoeksopzet maken, waarin ook een raming van de benodigde menskracht en kosten zou worden gemaakt.(1) En zoals bij wetenschappelijk onderzoek zo vaak het geval is, vormden die laatste twee punten een hindernis. Nog maar kort geleden kon die hindernis worden genomen, mede dankzij de inspanningen van de opvolgende president, mr. Davids, om het project op de rails te houden.

Het onderzoek zou het optreden van de Hoge Raad in een breder verband moeten beschouwen. Terecht drong prof. Mok daarop aan in het NJB. Niet alleen beschrijven wat er is gebeurd, maar vooral ook zoeken naar antwoorden op de vraag hoe dit heeft kunnen gebeuren?(2)

Dadelijk na mijn aantreden als president in november 2008 heb ik prof. Jansen uitgenodigd voor een gesprek over het onderwerp dat ons vandaag bezig houdt. Hij verklaarde zich tot mijn verrassing meteen bereid een dergelijk breed opgezet onderzoek uit te voeren. Hij gaf later aan dit graag samen te doen met mr. Venema, die, net als prof. Jansen zijn sporen had verdiend met eerdere publicaties over dit onderwerp. De Radboud Universiteit Nijmegen, van wie vandaag tot mijn vreugde de rector en de decaan van de juridische faculteit aanwezig zijn, stelde hen daartoe in de gelegenheid.

De onderzoekers is de volledige vrijheid gelaten bij de uitvoering van hun onderzoek en bij de neerslag van de resultaten daarvan. Van de Hoge Raad, maar gelukkig ook van vele anderen hebben zij alle medewerking gekregen. Zij kregen onbeperkt toegang tot alle bij de Hoge Raad en het Nationaal archief berustende stukken.

Om elke schijn van beïnvloeding te vermijden maakte niemand die aan de Hoge Raad verbonden is of was deel uit van de begeleidingscommissie. Deze werd gevormd door prof. Schwegman, de huidige directeur van het NIOD, prof. Romijn, directeur onderzoek van het NIOD, mr. De Ruiter, onder meer oud-hoogleraar en oud-minister van justitie en auteur van de biografie over J. Donner die tot in 1944 raadsheer was en die later de eerste naoorlogse president werd, en tot slot mr. Von Schmidt auf Altenstadt, advocaat en oud-deken van de Nederlandse Orde van Advocaten die zelf uiterst gedegen publicaties over dit onderwerp het licht deed zien. Kortom, een begeleidingscommissie van grote deskundigheid en kwaliteit.

De voorwaarden voor het slagen van dit project waren uitstekend, maar het werk moest nog wel worden verzet. Van die taak hebben de auteurs zich met een bewonderenswaardige voortvarendheid en eruditie gekweten. Het is een prestatie van formaat dat zij in een zó kort tijdsbestek een zó ingewikkeld en omvangrijk onderwerp hebben weten te vatten in een zó leesbaar en fraai boek getiteld "De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950". Dat het boek in zo'n mooie vorm is uitgegeven is mogelijk gemaakt door het Ministerie van Veiligheid en Justitie en in het bijzonder zijn secretaris-generaal. Dat wil ik niet onvermeld laten.

 
2. Interview mr. Ras

Degene die het stilzwijgen in de jaren tachtig van de vorige eeuw doorbrak was, zoals gezegd, de toenmalige president van de Hoge Raad mr. Ras. In een interview ter gelegenheid van het 150-jarig bestaan van de Hoge Raad bracht hij zijn persoonlijke herinnering naar voren. Hij liet zich genuanceerd uit maar, zo schreef mr. Haak in het NJB,(3) zijn houding, oogopslag en intonatie verhullen niet zijn boosheid en onbegrip over de ariërverklaring, het gemeenschappelijk verraad van de eigen president en de legitimering van de regelgeving van de bezetter.

Met dit interview kon de Hoge Raad de oorlogsperiode voorlopig een plaats geven. Dat zal een opluchting zijn geweest: de inmiddels beklemmende stilte was eindelijk doorbroken. Nadat de documentaire was uitgezonden door de NOS is zij jarenlang vertoond aan studenten en andere bezoekers van de Hoge Raad.

Hier onder leest men de door mr. Ras uitgesproken woorden.

"Ik denk je moet zeggen dat de Hoge Raad als Hoge Raad, want er zijn individuele gevallen die heel anders liggen, maar dat de Hoge Raad als Hoge Raad in de oorlogstijd onvoldoende blijk heeft gegeven van betrokkenheid bij het afschuwelijke gebeuren dat zich in Nederland afspeelde. De Hoge Raad heeft onvoldoende besef gehad van de voorbeeldfunctie die nu eenmaal hoort bij het voorrecht om in zo'n hoogste rechtscollege te zitten".

Men kan zeggen dat is achteraf makkelijk gezegd en ik besef ook dat de omstandigheden uitermate moeilijk waren, maar zoals ik er toen op reageerde als simpel rechtenstudent in Amsterdam en nu als ik het weer overlees, is toch altijd hetzelfde dat ik bij mezelf denk, ja, er zijn toch momenten geweest dat een ander geluid, wat meer fierheid, op zijn plaats was geweest. Daar kan ik niet anders over denken nu als toen.

Als je vraagt noem nou eens een paar voorbeelden, dan kan ik dat heel kort zeggen. De ellende is al begonnen in de eerste maanden na de Duitse bezetting, dat van alle ambtenaren een zogenaamde Ariërverklaring werd gevraagd, een verklaring die inhield of je wel of geen joodse voorouders had. Op de Hoge Raad is toen dringend beroep gedaan een voorbeeld te geven en die verklaring niet te tekenen.

Men heeft daarover vergaderd en men heeft gemeend die verklaring wel te moeten tekenen, omdat dat niet in strijd was met het volkenrecht. De redenering is ook typisch: een juridische redenering in een tijd waarin alle juridische categorieën eigenlijk van ondergeschikte betekenis waren. Bovendien men wist dat die verklaring werd gevraagd met het voornemen om joodse ambtenaren uit overheidsdienst te ontslaan. Men wist dat dat de president van de Hoge Raad, mr. Visser, zou treffen. Dus de eigen president werd op die manier toch eigenlijk afgevallen. En mr. Visser is inderdaad ontslagen in november 1940 omdat hij jood was.

De Hoge Raad deed niets en dan moet u bedenken dat in dezelfde tijd de Leidse faculteit een woord van protest liet horen toen om dezelfde reden professor Meijers (foto rechts)  werd ontslagen. Een jaar daarna werd een zeer pro-Duitse buitenstaander tot president van de Hoge Raad benoemd. De Hoge Raad deed niets.

En ten slotte, wat de deur dicht heeft gedaan voor velen in het begin van 1942, heeft de strafkamer van de HR een arrest gewezen dat heel in het kort erop neer komt dat de wetgevende maatregelen van de bezetter kracht hebben van wet in de zin van de Nederlandse wetgeving en dat de Nederlandse rechter die wetgevende maatregelen niet mag toetsen aan het volkenrecht in het bijzonder niet aan het Landoorlogreglement.

Dat was natuurlijk een afschuwelijke uitspraak, want het betekende dat de rechterlijke macht eigenlijk het consigne kreeg: 'hands off van de bezettingswetgeving'. Ik herinner me nog dat ik als rechtenstudent in Amsterdam daarvan hoorde en u moet zich voorstellen dat een jaar geleden in Amsterdam de Februaristaking al was geweest en dat ik toen bij mezelf dacht: 'Waar zijn die mensen in Den Haag mee bezig?' Hebben ze nog wel contact met de werkelijkheid. Nou die vraag stel ik me opnieuw als ik de geschiedenis opnieuw lees."

 

3. Reactie op het boek van prof. Jansen

Het interview met mr. Ras blijft een indrukwekkend document. Ook in het licht van het vandaag gepubliceerde onderzoek blijft het betoog van mr. Ras overeind als een doorvoelde en tegelijkertijd haarscherpe analyse.

- Rekenschap afleggen

'Het verleden van de Hoge Raad ligt gevoelig, nog steeds, omdat de Hoge Raad zich tot op de dag van vandaag geen rekenschap heeft gegeven van zijn rol tijdens de bezetting.'

Dat schreef Von Schmidt auf Altenstadt eind 2005 in Trema.(4) Het waren zorgvuldig gekozen woorden.

Want wat kunnen we vandaag meer doen dan ons tot het uiterste inspannen om inzicht te krijgen in wat er is gebeurd en waarom dat is gebeurd, om daar vervolgens de wijsheid en kracht uit te putten om een herhaling te voorkomen? Als we dat doen geven we rekenschap. We voeden en scherpen ons bewustzijn. Het is wezenlijk om dat te doen.

Rekenschap afleggen, oftewel het uitleggen en verdedigen van het handelen van toen, dat kunnen we niet; niet over het handelen van anderen, die leefden in een andere tijd en onder andere omstandigheden; omstandigheden bovendien die een zoveel zwaarder beroep deden op inzicht en op moed; van individuen en van collectieven.

Rekenschap geven we vandaag zo goed als we kunnen. Aan kennis en aan begrip van wat er is gebeurd en hoe dat kon gebeuren levert het gepresenteerde boek een enorme bijdrage.

Van een taboe op dit onderwerp is nu in elk geval geen sprake meer. Eindelijk is het zo noodzakelijke onafhankelijke en gedegen brede onderzoek verricht. Dat zeg ik zonder ook maar iets af te doen aan eerdere gedegen publicaties.

Geschiedschrijving is natuurlijk nooit klaar. Ook na dit boek, of misschien juist naar aanleiding van dit boek, zullen nieuwe publicaties volgen.

Die zullen nog meer licht werpen op bepaalde aspecten en waarin nieuwe plausibele invalshoeken worden gevonden om sommige gebeurtenissen te duiden. Maar het nu gepubliceerde onderzoek behelst een bundeling van zoveel feitelijke informatie en plaatst de gebeurtenissen zo duidelijk in hun context, dat geen nieuw onderzoek daaraan voorbij zal kunnen gaan.

- Hoe verhouden we ons tot het verleden?

Op de Hoge Raad rust nu de taak zich te verhouden tot het resultaat van dat onderzoek. Als president neem ik daarbij vandaag het initiatief. Daarbij wil ik eerst aandacht vragen voor een dilemma dat ik in twee vragen heb verwoord:

Wie zijn wij als we ons niet scherp afzetten tegen de Hoge Raad in oorlogstijd?
Maar, wie zijn wij om ons scherp af te zetten tegen de Hoge Raad in oorlogstijd?
Wie zijn wij als we ons niet scherp afzetten tegen de Hoge Raad in oorlogstijd?

"Met mijn herinnering bouw ik mijn identiteit op", zo schrijft Laurent Binet in zijn bekroonde roman HhhH, Himmlers hersens heten Heydrich.(5) Allemaal worden we innerlijk gevormd door wat we zelf meemaken, wat we leren van anderen en hoe we dit verwerken. De notie dat we onze identiteit opbouwen met onze herinnering, heeft echter ook een buitenkant.

Onze identiteit, zoals die voor anderen kenbaar is, wordt ook gevormd door wat we zeggen. Hoe we tegen historische gebeurtenissen aankijken en daarvan blijk geven, zegt veel over wie we zijn. Met een hard afkeurend oordeel over de Hoge Raad van toen laten we zien dat we het zelf anders zouden doen, of: anders zouden willen doen.

In die toevoeging "anders zouden willen doen" ligt de basis voor de tweede vraag.

Want wie zijn wij om ons krachtig af te zetten tegen de Hoge Raad in oorlogstijd? Ten eerste moeten de bekende feiten over het optreden een dergelijk oordeel rechtvaardigen. Maar zelfs dan kunnen we niet anders dan bescheiden zijn - vooral ten aanzien van de individuele raadsheren die niet door de bezetter waren benoemd.

In de Tweede Wereldoorlog was het maar weinigen gegeven inzicht te paren aan echte moed. Dat leert ons de geschiedenis, zoals die inmiddels over veel meer terreinen van het maatschappelijke leven in detail is opgetekend. Dat is een droevige maar ook nederig stemmende wetenschap. Hard oordelen over individuen kan getuigen van hoogmoed en de verdenking oproepen zich al te gemakkelijk een fraaie identiteit aan te meten door zichzelf op de borst te kloppen.

"Kitsch is de meest verraderlijke van alle gevangenissen. De tralies zijn met het goud van simpele, onechte gevoelens bekleed zodat je ze voor de zuilen van een paleis houdt".
Zo houdt Mercier ons voor in zijn "Nachttrein naar Lissabon".

Vanuit het besef dat we het er destijds zelf allicht niet beter vanaf zouden hebben gebracht en met oog voor alle nuances die een grondige feitenkennis meebrengt, moeten we op integere wijze proberen de balans op te maken. Daarbij moeten we vooral ook stil staan bij wat we hebben geleerd en wat er is veranderd. Dat is de taak waar we voor staan wanneer we ons verhouden tot het optreden van toen. Ons oordeel moet oprecht zijn en geen blijk geven van zelfoverschatting.

- Nuancering van het globale beeld

Het door prof. Jansen met medewerking van mr. Venema geschreven boek biedt een goed kompas om in dit moeilijke vaarwater een veilige haven te bereiken. Het geeft een uiterst genuanceerd beeld van wat er feitelijk is voorgevallen en het werpt veel licht op het waarom van die gebeurtenissen.
Voor mijzelf geldt dat ik het beeld dat ik had toch enigszins heb moeten bijstellen.

Een oordeel gebaseerd op kennis van de grote lijnen is al snel robuust. Het boek van prof. Jansen confronteert ons met zoveel detailkennis dat het ons wegduwt van het globale oordeel. Het knaagt aan de grondslagen van dat oordeel, door de gedetailleerde beschrijving en de plaatsing van het optreden in de bredere context.

Het boek roept in herinnering hoe Nederland met het bombardement op Rotterdam direct kennis maakte met het niets en niemand ontziende karakter van de bezetter. Zonder scrupules werden honderden burgerslachtoffers gemaakt. Ook wijst het boek erop dat de betrekkelijke rust van na de capitulatie bedrieglijk was. De bewegingsvrijheid voor publieke kritiek op de bezetter was minimaal.

Dat bleek bijvoorbeeld al uit de arrestatie van generaal Winkelman in reactie op de manifestaties op 29 juni 1940. Bij die manifestaties was in het kader van Anjerdag (foto links) op verschillende manieren publiek aandacht besteed aan de verjaardag van prins Bernhard.(6) Deze symboliek schoot de bezetter in het verkeerde keelgat. Winkelman verdween als krijgsgevangene naar Duitsland en kwam pas in 1945 terug.

Naast een beknopte algemene schets van de situatie en de sfeer in bezet Nederland bevat het boek een veel meer gedetailleerde behandeling van de punten die specifiek voor het optreden van de rechterlijke macht relevant waren. Ik noem hier in de eerste plaats de Aanwijzingen van de regering uit 1937 om in geval van een bezetting zo lang mogelijk de taak te blijven vervullen.

Men zou overigens een vraagteken kunnen zetten bij de rechtskracht van die Aanwijzingen in de verhouding tot rechters. In de tweede plaats vermeld ik de toenmalige binnen en buiten de Hoge Raad bestaande opvattingen over de rol van de rechter in de trias politica. Bij het Toetsingsarrest hebben de opvattingen over de trias politica een wezenlijke rol gespeeld; juridisch paste het arrest daarin.

In het boek komt verder de door de bezetter toegepaste tactiek naar voren, waarmee men met kleine stapjes in de val werd gelokt. En ook maakt het boek zichtbaar hoe de personele wijzigingen die de bezetter doorvoerde verlammend werkten op de toch al beperkte neiging en vermogen om publiek te protesteren.

Voor een goed begrip is het beschouwen van de gebeurtenissen in hun context belangrijk. Het draagt bijvoorbeeld bij aan het besef dat door de vrees voor zware represailles van de bezetter een waarschuwing feitelijk een bedreiging was.

Zo zal aan het achterwege blijven van openlijk protest tegen de ariërverklaring hebben bijgedragen dat de Generalkommissar für Verwaltung und Justiz Wimmer aankondigde dat mr. Visser van zo'n protest 'zeer zeker onmiddellijk onaangename consequenties zou ondervinden'.(7)

Overigens verklaart dat niet helemaal waarom men ook geen protest heeft laten horen toen mr. Visser samen met andere joodse rechters per 23 november 1940 werd geschorst.

Het is de in het boek uitvoerig behandelde combinatie van factoren geweest die aan de basis lag van het handelen en nalaten van de Hoge Raad in oorlogstijd. Daarbij is dan weer de ene en dan weer de andere factor van doorslaggevende betekenis geweest.

Wat het boek mij duidelijk heeft gemaakt is dat men op verschillende momenten wel degelijk een geluid van protest heeft laten horen. Maar dit geschiedde niet als voorbeeld en oproep aan anderen, maar bij de bezettende autoriteiten. Bijvoorbeeld bij het ontslag van de Leeuwardense raadsheren en bij de invoering van het leidersbeginsel in de rechtspraak.

Met succes werd geweigerd mee te werken aan de Arbeitseinsatz. Op de eerder genoemde schending van het ne-bis-beginsel volgde ook een weerwoord. Maar nooit werd dit naar buiten gebracht en steeds werd dus niet de gelegenheid te baat genomen kenbaar voor anderen een voorbeeld te zijn.

Door het plaatsen in de juridische en maatschappelijke context is het optreden van de Hoge Raad begrijpelijker geworden dan voorheen het geval was.

De vraag die ik mezelf na lezing van het boek heb gesteld is of wij, zoals oud-president mr. Ras deed, nu nog met boosheid en onbegrip kunnen terugkijken? Rechtvaardigt onze positie en de huidige kennis van de feiten nog ons onbegrip en onze boosheid?

- Geen kanteling van het beeld

Bij de beantwoording van die vraag kunnen we er niet omheen dat er mensen waren er die wél al heel snel doorzagen waar het heen ging, die wél van het begin af aan protesteerden, met alle persoonlijk risico van dien. Ik denk bijvoorbeeld aan prof. Cleveringa.

En het tekenen van de ariërverklaring druiste toch rechtstreeks in tegen alles waarvoor de Hoge Raad behoorde te staan. Herzberg karakteriseerde dat treffend als het 'elk voor zich tekenen van het doodvonnis over de eigen beschaving'.(8) En ook al snappen we nu misschien nog beter hoe dat heeft kunnen gebeuren, toch blijft het moeilijk te verkroppen.

En zelfs als het Toetsingsarrest juridisch zou kunnen passen in de stand van het toenmalige recht, had dan nog niet mogen worden verlangd dat tegen de maatschappelijke achtergrond van toen voor een andere weg was gekozen? Hier had de juridische logica moeten buigen voor de logica van de feitelijke werkelijkheid.(9) Wanneer mr. Ras in één adem de woorden Februaristaking en Toetsingsarrest noemt, knijpt je maag samen.

Het contrast in inzicht, medemenselijkheid en moed die de verantwoordelijken onderscheidt voor dat hoogtepunt en dieptepunt uit de Nederlandse oorlogsgeschiedenis is te groot.

En ja, prof. Jansen laat zien dat er toch op verschillende momenten protesten van de Hoge Raad zijn uitgegaan, maar het uitblijven van een krachtig publiek protest bleef een schrijnend gemis. In 1943 schreef met volstrekte afwezigheid van gevoel voor de positieve betekenis van zulke protesten de raadsheer mr. Losecaat Vermeer daarover aan prof. Cleveringa:

"De meerderheid van ons is nu eenmaal afkeerig van publicatie of verspreiding van onze brieven - gelijk onze Belgische collega pleegt te doen - en vindt dit niet onze taak (om - gelijk zij zeggen - aldus een plaatsje in den-naoorlogschen hemel te krijgen!)"

De samenstelling van die meerderheid had de bezetter inmiddels danig kunnen beïnvloeden, maar dit korte briefje voedt het begrip voor de hartenkreet van mr. Ras 'of die mensen in Den Haag nog wel contact hebben met de werkelijkheid?'.

Want dáár ging het natuurlijk helemaal niet om: om het verwerven van een plaats in de naoorlogse hemel. Het ging erom dat een voorbeeld werd gegeven dat tot inspiratie en steun zou kunnen dienen.

Beter dan in het antwoord van prof. Cleveringa aan mr. Losecaat Vermeer kan ik het niet verwoorden:

"Jullie Belgische collega's kan ik ook hier beter waarderen dan blijkens je brief jullie meerderheid doet. Ik las een brief van hen van 20 maart 1943: sober, waardig, zakelijk en sterkend. Deze tijd is niet als andere tijden; hij heeft zijn eigen eischen. Waar anders stille onbewogenheid lofwaardige hoogheid is, daar is zij thans een betreurenswaardige tekortkoming".(10)

Alle nuancering ten spijt, voor mij leidt het zo-even in ontvangst genomen boek uiteindelijk toch niet tot een kanteling van het beeld. Overeind blijft dat de Hoge Raad niet de bescherming heeft kunnen bieden, niet de inspirerende standvastigheid heeft getoond, die de Nederlandse bevolking verwachtte. Was die teleurstelling dan het gevolg van te hoog gespannen verwachtingen? Voor een deel misschien wel: wat mag men in een oorlogssituatie verwachten?





Ik wil hier voorzichtig zijn in mijn oordeel, maar geef mr. Ras volkomen gelijk als hij zegt dat 'de Hoge Raad onvoldoende besef heeft gehad van de voorbeeldfunctie die nu eenmaal hoort bij het voorrecht om in zo'n hoogste rechtscollege te zitten'.

Een instituut als de Hoge Raad roept uit de aard van zijn wezen hoge verwachtingen op. Noblesse oblige: wat dat inhoudt en óf het wat inhoudt blijkt pas onder druk. In het licht van de nog veel zwaardere omstandigheden waarin de mensen leefden op wie de bezetter het gemunt had, mocht meer van de Hoge Raad worden verwacht.

Het boek biedt verklaringen, maakt de oorlogsgeschiedenis van de Hoge Raad begrijpelijker. Maar bevredigt dat ook? Direct uit het hart gesproken natuurlijk niet. Dan wil je de Hoge Raad zien als kathedraal van recht en rechtvaardigheid. Dan wil je zien dat zijn collega's in een kring om mr. Visser heen gaan staan en weigeren de ariërverklaring te tekenen.

Dan reken je op een ander arrest dan het Toetsingsarrest. Dan verlang je een scherp en luid protest wanneer de Leeuwardense raadsheren worden ontslagen. Dan hoop je een collectief aftreden te zien als het leidersprincipe op de rechtspraak moet worden toegepast.

Dat is wat het hart ingeeft. Het boek van prof. Jansen laat vervolgens het hoofd werken en dat stemt tot deemoed.

Om deze vaststelling van het falen van het instituut te vertalen in individuele verwijten, anders dan zoals deze in de naoorlogse processen vorm hebben gekregen, dat durf ik niet. Zelf ben ik na de oorlog geboren. Anders dan oud-president mr. Ras heb ik in die tijd geen keuzes behoeven te maken; geen situaties waarin het op leven of dood zou kunnen aankomen behoeven in te schatten; of voor dilemma's gestaan; daarom voel ik me tot zijn boosheid niet gerechtigd.

De uitingen van verzet en protest tekenen nog veel meer de moed van degenen die ze ondernamen, dan de lafheid van degenen die daaraan niet deelnamen: of die daaraan niet durfden deel te nemen.

-
Foto boven: raadsheer Taverne, links, president Visser rechts.

Lessen


De les die de Tweede Wereldoorlog ons heeft geleerd is samengebald in de woorden: "dit nooit weer". In het juridische landschap en voor de rol van de rechter hebben de ervaringen uit de Tweede Wereldoorlog tot grote veranderingen geleid. Die ervaring bracht samen met de communistische dreiging mee dat vanaf 1945 in versneld tempo is gewerkt aan de bouw van een veilig, vreedzaam Europa. Onderdeel daarvan vormde de oprichting van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en van wat nu heet de Europese Unie. Met het EHRM werd een daadkrachtige supranationale controle verwezenlijkt op de nationale bescherming van fundamentele rechten.

Rechten die in de Tweede Wereldoorlog zo ongekend grof en stelselmatig waren geschonden. De rechters in dit Hof houden elk vanuit hun eigen nationale achtergrond de Europese landen aan de teugels van de mensenrechten. Vorige week bij de viering van 200 jaar rechterlijke organisatie noemde ik het EHRM de vlag op de piramide die deze organisatie vormt. Haar symbolische waarde en praktische betekenis kunnen nauwelijks worden overschat.

De Europese Unie voerde een economische interdependentie in, die een structurele voorwaarde vormde voor langdurige vrede. De interdependentie is in de loop van de jaren alleen maar groter geworden. Het Hof van Justitie van de Europese Unie vervult daarbij een essentiële rol.

De nationale rechter toetst intussen niet meer alleen de wetmatigheid, maar ook de rechtmatigheid. Hij ontleent zijn gezag niet meer alleen aan de wet, maar ook aan verdragen en aan ongeschreven rechtsbeginselen. De aan de rechter toebedeelde verantwoordelijkheid is toegenomen. De zekere mate van autonomie die de rechter zich na de oorlog heeft verworven, en die hem door de wetgever ook is toebedeeld om te toetsen aan beginselen van een behoorlijke procesorde en aan de naleving van de in het EVRM neergelegde individuele grondrechten, bieden belangrijke hedendaagse garanties.

 

- Afronding

Ik kom tot een afronding.
Stoppen of doorgaan om erger te voorkomen?

Voor een rechter is de gedachte dat het toch niet uitmaakt dodelijk. Zodra hij dat denkt, moet hij stoppen. Hij kan dan zijn verantwoordelijkheid niet meer waar maken. Hij moet zich steeds tot het uiterste inspannen om door alle papier heen te kijken. Soms ook door alle geschreven regels heen: "It is the spirit and not the form of law that keeps justice alive", zoals Earl Warren, de chief justice van het Amerikaanse Hooggerechtshof, volkomen terecht zei.(11)

De rechter moet zich concentreren op de mensen om wie het gaat, op wat voor hen de feitelijke consequenties zijn. En dat is niet alles. De rechter moet zich ook bewust zijn van de bredere reikwijdte van zijn beslissing. Voor de Hoge Raad was en is die verantwoordelijkheid het grootst. Die verantwoordelijkheid heeft de Hoge Raad in de Tweede Wereldoorlog niet kunnen waarmaken.

In een brief aan zijn vader, die rechter was onder het dictatoriale regime van Salazar, schrijft een van de hoofdpersonen in Merciers Nachttrein naar Lissabon:

"Ik wil niet in een wereld zonder kathedralen leven. Ik heb hun schoonheid en verhevenheid nodig. Ik heb ze nodig als verzet tegen de platvloersheid van de wereld. Ik wil opkijken naar de stralende kerkramen en me laten verblinden door hun bovenaardse kleuren. Ik heb hun glans nodig. Die heb ik nodig als verzet tegen de smerige eenheidskleur van uniformen. (...) Ik heb het nodig als verzet tegen het gebral van de kazernes en het stompzinnige gezwets van de meelopers. Ik wil het bruisende geluid van het orgel horen, die stortvloed van bovenaardse klanken. Ik heb die klanken nodig als verzet tegen de schelle lachwekkendheid van marsmuziek."(12)

We begrijpen nu nog beter waarom, maar kunnen niet anders oordelen dan dat de Hoge Raad als kathedraal van het recht, als hoeder van rechtvaardigheid, niet opgewassen is gebleken tegen de loodzware taak waarvoor de bezetting hem heeft geplaatst.

Op moeilijke momenten kunnen we inspiratie putten uit degenen die onder zoveel zwaarder omstandigheden opstonden en vochten voor wat rechtvaardig was, maar vooral moeten we ons gelukkig prijzen dat wij niet op dezelfde wijze op de proef zijn gesteld.

We kunnen dus slechts omzien en daarbij diep bedroefd raken en bevangen door spijt over hoe het verkeerd is gegaan. Om ons vervolgens met alle kracht die we bezitten ertoe zetten te leren van het verleden om nieuw tekortschieten te voorkomen.

Om al deze gevoelens zo-even geuit, in het bijzonder die van spijt, te onderstrepen, heb ik bij de presentatie van het boek van prof. Jansen een exemplaar van het boek overhandigd aan mevr. Visser, kleindochter van mijn voorganger mr. Visser en aan mevr. Cleveringa, dochter van de zo moedige hoogleraar die zoals u in het boek zult lezen, keer op keer de Hoge Raad heeft gewezen op zijn verantwoordelijkheid. Later vond ik ook een gelegenheid om een exemplaar te geven aan een andere dochter van hem, de echtgenote van onze oud-procureur-generaal Ten Kate, die bij de presentatie helaas niet aanwezig kon zijn.

 




1 W.E. Haak, De Hoge Raad en de bezetting, NJB 2004, p. 1128, reactie op: L. Mok, Over mooi proza, klerken en moed, NJB 2004, p. 10-14.
2 L. Mok, Naschrift, NJB 2004, p. 1129.
3 W.E. Haak, De Hoge Raad en de bezetting, NJB 2004, p. 1128, reactie op: L. Mok, Over mooi proza, klerken en moed, NJB 2004, p. 10-14.
4 P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt, Rouw past de Hoge Raad, Trema 2005, p. 409-414.
5 Laurent Binet, HhhH, Himmlers hersens heten Heydrich, J.M. Meulenhoff 2010, p. 191.
6 C. Jansen m.m.v. D. Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, Boom Amsterdam 2011, p. 91.
7 C. Jansen m.m.v. D. Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, Boom Amsterdam 2011, Deel 2, par. 1.2.
8 Ontleend aan J.M. von Schmidt auf Altenstadt, Rouw past de Hoge Raad, Trema 2005, p. 409-414.
9 Hier parafraseer ik de Amerikaanse justice L.D. Brandeis: "The logic of words should yield to the logic of realities." .", dissenting opinion bij Di Santo v. Commonwealth of Peannsylvania, 273 U.S. 34 (1927).
10 C. Jansen m.m.v. D. Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, Boom Amsterdam 2011, Deel 2, par. 5.2.
11 Earl Warren, in "The Law and the Future" in Fortune magazine (November 1955).
12 P. Mercier, Nachttrein naar Lissabon, Wereldbibliotheek Amsterdam 2006, p. 163.



Symposium

'Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog'

op 13 december 2011 in het gebouw van de Hoge Raad der Nederlanden in Den Haag.

Inleiding: dr. Joggli Meihuizen


Laat ik beginnen met een persoonlijke noot. Wie, als ik, geboren en getogen in het Den Haag van kort na de oorlog, wandelt van het Centraal Station via het Plein naar het Lange Voorhout heeft het moeilijk. Aan de linkerkant van de Herengracht, Fluwelen Burgwal en de Kalvermarkt is in de afgelopen veertig jaar een wanstaltig gebergte van betonnen kantoortorens ontstaan dat als ik het goed heb heden ten dage luistert naar de naam Resident (waarschijnlijk ook nog op zijn Engels uit te spreken).


De weg was vrij voor dit monstrum toen op 18 december 1964 het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen (foto rechts)  geheel afbrandde. Dit theater-, concert- en evenementengebouw aan de Zwarteweg stond namelijk middenin het gebied waarop projectontwikkelaar Reinder Zwolsman zijn oog had laten vallen. Kortom, het Gebouw voor Kunsten en Wetenschappen, waarvan Zwolsman inmiddels eigenaar was, stond in de weg.


Hoewel de precieze oorzaak nooit is vastgesteld, kwam de brand Zwolsman op zijn zachtst gezegd zeer goed uit: door de brand, uit de brand - de man maakte naar verluidt ook nog eens twee miljoen gulden winst op de verzekeringsuitkering. Zwolsman die toentertijd tevens in Scheveningen een spoor van ellende heeft nagelaten, had geen brandschoon oorlogsverleden.1 Vandaar dat Van Kooten en De Bie eens opmerkten: 'Het gaat er bij Zwolsman niet om hoe fout hij was ìn de oorlog, als wel daarna'.


Aan deze uitspraak moest ik denken na lezing van het boek De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog van Corjo Jansen en Derk Venema. In NRC Handelsblad van 18 november jongstleden beëindigde Folkert Jensma zijn recensie over dit boek terecht met: 'De oorlogsperiode was een blamage, maar de zwijgende doorstart was eigenlijk erger'.


De periode 1940-1945 kende als dieptepunten de tekening van de Ariërverklaring, het als een baksteen laten vallen van de Joodse president mr. L.E. Visser door de overige leden van de Hoge Raad, en het zogenaamde Toetsingsarrest van 12 januari 1942. Maar al die dieptepunten waren minder beschamend dan de nasleep van de oorlog. Deemoed ontbrak, evenals schuldbesef. Raadsheer mr. Jan Donner (foto links) wist door een behendig steekspel de Hoge Raad vrijwel buiten schot te houden. Hij had alles op alles gezet om een grondige zuivering van de Hoge Raad te voorkomen. Hoewel Donner uiteindelijk succes had, ging dit niet zonder slag of stoot.


De Haagse procureur-fiscaal mr. J. Zaaijer ( foto rechts) nam een onverzoenlijk standpunt in tegenover de handelwijze van de Hoge Raad tijdens de bezetting. Hij besloot tot een strafvervolging van de 'foute' (door de Duitsers benoemde) president van de Hoge Raad, mr. J. van Loon. Hij wilde door 'het pannetje-van Loon op het vuur te zetten' bewerkstelligen dat het bijzonder gerechtshof in Den Haag een oordeel zou uitspreken over het beleid van de Hoge Raad als zodanig. Donner was daar mordicus tegen.


Hij vreesde dat op die wijze onherstelbare schade zou worden toegebracht aan het gezag van het hoogste rechtscollege. Achter de schermen werkte Donner aan een rimpelloze oplossing van de kwestie rond de Hoge Raad, die door Zaaijers optreden doorkruist dreigde te worden. Op instigatie van Donner heeft minister van Justitie mr. H.A.M.T. Kolfschoten geïntervenieerd. Hij had de bewindsman voorgehouden dat een regering die haar beleid zou laten doorkruisen door een man als Zaaijer geen knip voor de neus waard zou zijn.


De minister zorgde ervoor dat Zaaijer de dagvaarding introk. Uiteindelijk werd de zaak tegen Van Loon behandeld door het tribunaal in Den Haag. De dagvaarding was zodanig veranderd dat niet gevreesd hoefde te worden dat het algemene beleid van de Hoge Raad zou worden betrokken in het rechtsgeding en bovendien was het Openbaar Ministerie bij het tribunaal niet vertegenwoordigd, zodat Zaaijer niet een van zijn gevreesde requisitoiren kon houden.2


Het optreden van Donner en Kolfschoten heeft de auteurs Jansen en Venema verbaasd. Zij vinden dat 'iedere druk in zulke tere aangelegenheden als een berechting in het kader van de bijzondere rechtspleging uit den boze (is)'.3 Deze zinsnede wekt op haar beurt enige verbazing bij mij. Nog afgezien van de vraag of zo'n druk in een gewone rechtspleging ook niet uit den boze is, wordt hiermee de indruk gewekt dat de auteurs niet bekend zijn met de eigenlijke gang van zaken rond en in de bijzondere rechtspleging. Pogingen om de rechtsgang te beïnvloeden lopen namelijk als een rode draad door de Bijzondere Rechtspleging.


Wie in die tijd het oor te luisteren legde, kon (zoals mr. D.J. Veegens het uitdrukte) 'overal de kruiwagens horen knarsen'. Dit geldt in het bijzonder voor economische collaborateurs die over veel relaties beschikten die in de positie waren om te hunnen gunste in actie te komen. En die dat dan ook deden. Er werd voortdurend druk uitgeoefend op het Openbaar Ministerie om de invrijheidstelling van bepaalde verdachten te bewerkstelligen en soms zelfs om bepaalde zaken in het geheel niet te behandelen.


Ook werden de parketten overspoeld met vragen om gunsten. Deze demarches riepen spot ('bestelling genoteerd') of irritatie op bij het Openbaar Ministerie. Op het Haagse parket hadden de demarches eerder een averechtse uitwerking. Toch droegen zij op de wat langere termijn in vele gevallen bij tot het beoogde resultaat. Op het opsporings- en vervolgingsbeleid hadden zij sowieso een verlammende uitwerking. In Arnhem zag advocaat-fiscaal mr. J. Kalff nauwelijks kans om economische collaboratiezaken aan te brengen, doordat hij bij elke stap die hij deed op de huid werd gezeten door belanghebbenden. De demarches hadden dan ook een enorme intensiteit. Enkele voorbeelden maken dat duidelijk.


Al meteen in de eerste industriële collaboratiezaak werden vanaf december 1944 tot februari 1946 ten minste dertien demarches ondernomen om de rechtsgang inzake directeur Emile van Oppen van de Maastrichtse NV Staalwerken De Maas te beïnvloeden. In de zaak-Gusto (scheepswerf te Schiedam) waren er tenminste veertien demarches, waarvan alleen al dertien in november en december 1946. En in de zaak-Hollandsche Constructiewerkplaatsen (Leiden) werd van augustus 1945 tot oktober 1947 zestienmaal geïntervenieerd.


Naast de enorme kwantiteit was van belang dat deze acties werden ondernomen door gezaghebbende advocaten als mr. A.C.W. Beerman, door belangrijke werkgeversorganisaties, en door vooraanstaande industriëlen en politici als ir. F.J Philips en dr. L.G. Kortenhorst (hoofdzakelijk ten behoeve van rooms-katholieke ondernemers). Zelfs het boegbeeld van de rechterlijke macht, de president van de Hoge Raad, Jan Donner, zag in een enkel geval geen bezwaar zijn gezag aan te wenden om het Openbaar Ministerie tot andere gedachten te brengen.


De meest nadrukkelijke interventie die Donner pleegde, was in de politieke strafzaak tegen jhr.mr. D.J. de Geer, waarin hij (vergeefs) probeerde advocaat-fiscaal mr. G.E. Langemeijer te beïnvloeden om vervolging van de oud-premier te voorkomen. Loyaliteit jegens de man die hem in 1926 had aangetrokken als minister van Justitie, waardoor zijn maatschappelijk carrière vleugels had gekregen, speelde daarbij een beslissende rol. Overigens blijkt hieruit dat de interventies dus niet uitsluitend betrekking hadden op economische collaborateurs.


Ook zijn door mij ten minste zestien demarches van ministers getraceerd, waaronder drie van ministers van Justitie. Maar het werkelijke aantal moet een veelvoud hiervan zijn geweest. Eén van die demarches was dus die van Kolfschoten inzake Van Loon, maar ook zijn opvolger mr. J.H. van Maarseveen liet zich in deze niet onbetuigd. In de zomer van 1947 werden reeds door Zaaijer uitgebrachte dagvaardingen tegen enkele notarissen-collaborateurs in Rotterdam op rechtstreekse last van de minister van Justitie ingetrokken.4


Ten slotte was het in februari 1951 minister van Justitie mr. A.A.M. Struycken die het Openbaar Ministerie bewoog het cassatieberoep in de zaak tegen de gebroeders De Vilder van de Amsterdamsche Ballast Maatschappij in te trekken.5


Keren we nog even terug naar de blokkade die Kolfschoten en Donner opwierpen om door de zaak-Van Loon de Hoge Raad te kijk te zetten. Die actie stond niet op zich. Al eerder, eind 1945, was Zaaijer door dezelfde heren teruggefloten - zij het dat Donner in deze handelde als voorzitter van de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven, het hoogste orgaan in het bedrijfszuiveringsapparaat.


Op 26 november 1945 namelijk had Zaaijer aan Kolfschoten geschreven dat hem ter ore was gekomen dat de regering ir. F.Q. den Hollander (foto rechts) had voorgedragen voor de hoogste post bij de Nederlandse Spoorwegen, destijds nog een staatsbedrijf.


Den Hollander had tijdens de oorlog leiding gegeven aan Nederlands grootste wapenfabriek, de Artillerie-Inrichtingen. In juni 1940 had hij na ampel beraad, en met ruggesteun van de secretarissen-generaal, besloten om wapens te produceren voor de Duitse bezettende macht. Zaaijer meende dat Den Hollander zich hierdoor had gediskwalificeerd om in het naoorlogse Nederland een prominente rol te spelen.


Hij schreef:

'Zonder nu direct van de mogelijkheid van arrestatie te willen spreken, wil het mij toch voorkomen, dat het geen gelukkige figuur zou zijn, indien hij [Den Hollander] met een hooge positie werd bekleed en kort daarna een strafvervolging, of ware het slechts een strafrechtelijk onderzoek, tegen hem werd begonnen. Zelfs al blijft dit achterwege dan nog kan de eindconclusie uit deze zaak slechts zijn, dat zijn gedrag in elk geval niet zoodanig was dat het gewenscht is, een dergelijke figuur al te zeer op den voorgrond te plaatsen en dat hij in de toekomst meer op den achtergrond behoort te blijven. Dat op zijn minst dit laatste de eindconclusie zal zijn, schijnt mij op het oogenblik, gezien de stukken, waarschijnlijk'.6


Deze brief veroorzaakte op het ministerie van Justitie enige paniek, omdat hierdoor de regering in grote verlegenheid dreigde te worden gebracht in verband met de aanstaande benoeming van Den Hollander tot de hoogste man bij de Nederlandse Spoorwegen. Besloten werd Zaaijer de zaak-Den Hollander uit handen te nemen en Donner te verzoeken op zo kort mogelijke termijn deze affaire uit de wereld te helpen.


Het ministerie van Justitie achtte deze afwijking van de normaal voorgeschreven gang van zaken verdedigbaar, omdat de Artillerie-Inrichtingen een staatsinstelling was, althans ten tijde van de gedragingen waarover het onderzoek in hoofdzaak liep. Volgens ingewijden was de werkelijke reden dat men Den Hollander wegens zijn bekwaamheden na de oorlog niet kon missen. Nog voor het einde van 1945 (dus binnen slechts enkele weken) had Donner het karwei geklaard en daarmee in zijn eigen woorden 'dreigend onrecht' afgewend. Op 4 januari 1946 werd de zaak tegen Den Hollander door Zaaijer geseponeerd, waarna niets meer Den Hollanders benoeming tot directeur van de Nederlandse Spoorwegen in de weg stond.


Het is relevant om stil te staan bij de toelichting die Donner gaf bij zijn conclusie dat voor welke stappen dan ook tegenover Den Hollander generlei aanleiding kon worden gevonden. Donner:

'Indien men "collaboratie" reeds aanwezig acht, zoo onder welke omstandigheden ook aan eenige aan Duitsche belangen dienstbare leverantie is medegewerkt, dan kan men zeggen, dat hier - zij het onder druk van Nederlandsche kant - "collaboratie" heeft plaats gehad. Maar - gelijk te dezen - den Duitschers een geweldig oorlogspotentieel ongeschonden in handen valt, en men dan alles doet om het bezigen daarvan door de Duitschers tot het uiterste te beperken, dan kan niet de rest, die men noodgedwongen moet laten, als "hulp aan den vijand" worden gekwalificeerd, doch is integendeel - bij vergelijking van die rest met de mogelijkheden, die men den Duitschers afhandig heeft gemaakt - den vijand wezenlijk "afbreuk" gedaan.'


Exemplarisch voor de wijze waarop Donner de bedrijfsgestie van een fabrieksdirecteur wenste te beoordelen en dus ook exemplarisch voor de nadien grotendeels door hem tot stand gebrachte jurisprudentie van de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven, is de volgende passage:


'Men kan zich natuurlijk afvragen, of de heer den Hollander niet had moeten weigeren zich te doen inschakelen. Zijn motief is geweest, de verdere uitvoering zooveel mogelijk te remmen. En dit schijnt gelukt. Men moet dergelijke dingen zien niet op zichzelf, doch in het geheel van den gevoerden strijd. Dan moet men wel eens op een bepaald punt toegeven, en uiteraard leent zich dan daartoe eerder het zich doen inschakelen in de verdere uitvoering van leveranties, die nu eenmaal toch worden gedaan en welke men dan nog zooveel mogelijk tracht te frusteeren, dan het aanvaarden van een of andere zelfstandige opdracht. Zoo gezien kan men dit onderdeel van het beleid achteraf beschouwd wel minder gelukkig achten (zulk een oordeel is overigens, juist achteraf, gemakkelijk uitgesproken), doch dit geeft geen reden het beleid als geheel te wraken.'7


Job de Ruiter heeft in zijn in 2003 verschenen biografie over Jan Donner in dit verband opgemerkt dat er een opvallende parallel tussen Donners werk voor de Hoge Raad en dat voor het bedrijfsleven is. In beide gevallen bevorderde hij volgens De Ruiter redelijkheid, mildheid en continuïteit, waardoor na de oorlog de tegenstellingen, die tijdens en door de bezetting waren ontstaan, geleidelijk werden uitgewist.8 De Ruiter geeft impliciet een oordeel over de gedragingen van de Hoge Raad en het bedrijfsleven door het optreden van Donner te kwalificeren als 'redelijk en mild'. Wie enigszins kritisch is over die gedragingen, laat staan wie die beschouwt als collaboratie, komt uiteraard tot een negatievere slotsom.


Donner heeft als voorzitter van de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven de belangrijkste hoofdrol gespeeld bij de afdoening van economische collaboratie. Daarbij heeft hij zich allerminst als scherpslijper, maar wel als redder van het bedrijfsleven opgesteld. Het bedrijfsleven had zich slap gedragen in de bezettingstijd. Zoals een tijdgenoot opmerkte: 'Als handelsvolk zijn wij steeds uit op een compromis ook al is dat met de duivel'.9


Op de glijdende schaal tussen een heldenrol en materialistisch opportunisme hadden velen in het bedrijfsleven zich ver verwijderd van een heldenrol. Volgens Donner mocht men zo'n heldenrol van ondernemers echter ook niet verwachten, omdat industriëlen nu eenmaal niet ingehuurd waren om een heldenrol te spelen. Bovendien stelde Donner zich op het standpunt 'vooruitzien en niet te veel achteromkijken' en sprak hij al spoedig woorden als:


'Nederland moet weer handel gaan drijven met Duitsland en wij moeten daarom zo spoedig mogelijk schoon schip maken met de berechting van de foute Nederlanders'.10


Zo werd de bestraffing van economische collaboratie uiteindelijk gedicteerd door opportunisme in dienst van de wederopbouw.


Dankzij het boek van Jansen en Venema weten we nu dat Donner ook de hoofdrol speelde om de Hoge Raad door het naoorlogse politieke mijnenveld te loodsen. De pogingen om dit college na de oorlog ter verantwoording te roepen voor zijn algemene beleid gedurende de bezetting, mislukten doordat Donner ze vroegtijdig de kop wist in te drukken.11


Dit is het meest belangwekkende deel van het boek over de Hoge Raad. Toch mis ik juist hier de naam van een andere belangrijke speler in dit huzarenstuk: namelijk die van mr. G.E. Langemeijer (foto links).. Voor weinigen hier aanwezig behoeft hij nadere introductie. Gerard Langemeijer was van 1957 tot 1973 procureur-generaal bij de Hoge Raad, nadat hij al vanaf 1947 advocaat-generaal bij dat college was geweest.


Wat niet iedereen hier wellicht weet, is dat Langemeijer ook bij het Openbaar Ministerie bij de Bijzondere Rechtspleging een zeer belangrijke rol speelde. Van 1945 tot 1952 was hij advocaat-fiscaal bij de Bijzondere Raad van Cassatie, het hoogste rechtscollege van de Bijzondere Rechtspleging. Langemeijer - door A.D. Belinfante getypeerd als 'een jurist van grote kennis en veelzijdigheid en een mens met groot geestelijk evenwicht' - heeft bovendien als vraagbaak gefungeerd voor velen die een rol speelden in de Bijzondere Rechtspleging.12


Langemeijer nam ook conclusies in belangrijke politieke rechtszaken, zoals die in de zaak tegen NSB-leider Anton Mussert. In zijn conclusie uit oktober 1947 in de zaak tegen oud-premier De Geer die vanwege zijn handelwijze in de oorlog terechtstond, heeft Langemeijer geprobeerd de betekenis van 'hulpverlening aan de vijand' in de zin van art. 102 Wetboek van Strafrecht (strafbare collaboratie) als volgt te bepalen:


'Eerder zou men denken aan een grens in deze geest, dat alleen als hulpverlening en benadeling geldt wat een positieve afwijking van normale voortzetting van het dagelijkse leven uitmaakt. Zo zal, om een drastisch voorbeeld te nemen, natuurlijk niemand zo dwaas zijn om te beweren, dat het hulp aan de vijand betekende, dat ons volk zich na de capitulatie niet en masse van het leven heeft beroofd (hoewel het voor de vijand zeker een grote moeilijkheid geweest zou zijn, als dit wel geschied was). Ook is het een eenvoudig voortzetten van het economisch leven op zichzelf, ook al was het zeker voordelig voor de vijand, geen hulp aan de vijand'.13


Deze ingrijpende - en alleen al door de enorme hoeveelheid politieke delinquenten ingegeven - inperking van het begrip 'strafbare collaboratie' zal Donner zeer hebben aangesproken. Zij beiden hebben dan ook zeer goed met elkaar kunnen samenwerken zowel in de gewone als de bijzondere rechtspleging - ondanks belangrijke verschillen: Donner was een godvruchtig lid van de Anti-Revolutionaire Partij, terwijl Langemeijer een ongelovig lid van de Partij van de Arbeid was. Wat hen bond was pragmatisme.


Al in een vroeg stadium van mijn onderzoek naar recht en oorlog bleek mij dat Donner uiterst praktisch omging met iemands oorlogsverleden als daar volgens hem reden toe was. Om precies te zijn op 28 april 1976, om ongeveer half drie in de middag. Op de ochtend van die woensdag had ik mr. D.U. Stikker in zijn Wassenaarse flat geïnterviewd. Hij was in de laatste fase van de bezetting mede-financier van het verzet geweest en was als liberaal politicus, werkgeversvoorzitter en lid van de Centrale Zuiveringsraad voor het Bedrijfsleven. Bij mijn afscheid vertelde ik Stikker dat ik 's middags een gesprek had met Donner. Stikker vroeg mij de hartelijke groeten te doen aan 'mijn oud-voorzitter'. Dit deed ik bij binnenkomst in Donners flat aan de Scheveningseweg in Den Haag. Donners reactie verbaasde mij, omdat hij het deed voorkomen alsof de naam Stikker hem niets zei. Nadat ik hem nogmaals de groeten van Stikker had gedaan, antwoordde hij met een glimlach: 'Oh, van die collaborateur'. Stikker had tijdens de bezetting namelijk niet alleen een rol ten behoeve van het verzet gespeeld. Als directeur van Heineken had hij ook bier geleverd aan de Duitse Wehrmacht.14


Deze anekdote illustreert dat Donner drommels goed wist van hetgeen Stikker als bierbrouwer had gedaan. Maar omdat hij ook wist dat Stikker politiek 'goed' was geweest, en dat iedereen die was blijven doorfunctioneren vuile handen had gemaakt, werden de bierleveranties hem niet alleen vergeven, maar mocht hij van hem ook lid worden van hoogste zuiveringsorgaan voor het bedrijfsleven.


Tot slot een woord van lof voor de auteurs van het boek over de Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Corjo Jansen en Derk Venema hebben in betrekkelijke korte tijd en ondanks het beperkte bronnenmateriaal - rechters laten kennelijk, evenals advocaten, weinig sporen na - een leesbaar en waardevol boek geschreven, dat naar ik hoop en verwacht de aandacht zal krijgen die het verdient.


1 Zie in dit verband de sententie van het bijzonder gerechtshof 's-Gravenhage, 20.11.1946 inzake R. Zwolsman, Na-Oorlogsche Rechtspraak (NOR), 1946, 604; Bart van der Boom, Den Haag in de Tweede Wereldoorlog, Den Haag, 1995, 213-214.

2 Herman Hermans, Een ambitieuze jurist in gevaarlijk vaarwater. Johannes van Loon. President van de Hoge Raad in oorlogstijd, Den Haag, 2008, 89 e.v.; Joggli Meihuizen, Noodzakelijk kwaad. De bestraffing van economische collaboratie in Nederland na de Tweede Wereldoorlog, Amsterdam, 2003, 400-401.

3 Corjo Jansen met medewerking van Derk Venema, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog. Recht en rechtsbeoefening in de jaren 1930-1950, Amsterdam, 2011, 298.

4 Raymund Schütz, 'Achter gesloten deuren. Het Nederlandse notariaat, de Jodenvervolging en de naoorlogse zuivering', Tijdschrift voor Geschiedenis, 123, 2010, 1, 71-75.

5 Meihuizen, Noodzakelijk kwaad, 490 e.v.

6 Meihuizen, Noodzakelijk kwaad, 396.

7 Meihuizen, Noodzakelijk kwaad, 398.

8 Job de Ruiter, Jan Donner jurist. Een biografie, Amsterdam, 2003, 256.

9 Meihuizen, Noodzakelijk kwaad, 746.

10 Meihuizen, Noodzakelijk kwaad, 237.

11 Jansen, De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog, 330-331.

12 A.D. Belinfante, In plaats van bijltjesdag. De Geschiedenis van de Bijzondere Rechtspleging na de Tweede Wereldoorlog, Assen, 1978, 102.

13 Bijzondere Raad van Cassatie, 29.10.1947 inzake jhr.mr. D.J. de Geer, NOR, 1947, 1070; Nederlandse Jurisprudentie, 1948, 12.

14 Meihuizen, Noodzakelijk kwaad, 14.
 



 

 

 
 



I N D E X



28-02-2013

De vergeten collaboratie van de Hoge Raad - door Louis van Overbeek

18-11-2011

Hoge Raad ‘bevangen door spijt’ over eigen oorlogsverleden
NRC handelsblad

17-11-2011
Toespraak president mr. Corstens van 17 november 2011  ‘De Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog’

13-12-2011
Symposium
'Hoge Raad en de Tweede Wereldoorlog'
Inleiding: dr. Joggli Meihuizen